Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
09-4013 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Appellante heeft de gevraagde informatie niet of onvoldoende verstrekt en evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze informatie alsnog te verstrekken. Met name ontbreken gegevens over spaarfondsen en levensverzekeringen. Naar vaste rechtspraak komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of bescheiden die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4013 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2009, 09/340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 juli 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1 december 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante op haar adres met [D.] samenwoont, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft DWI appellante bij brief van 26 augustus 2008 uitgenodigd voor een gesprek op 28 augustus 2008 en gevraagd de bank- en/of giroafschriften van de laatste drie maanden van de rekeningen (inclusief spaarrekeningen) van haarzelf en van haar inwonende, minderjarige kinderen mee te nemen. Appellante is daarbij onder verwijzing naar artikel 54, eerste lid, en 17, tweede lid, van de WWB meegedeeld dat de betaling van de uitkering zal worden uitgesteld, indien zij niet reageert of niet meewerkt aan de oproep. Appellante is 28 augustus 2008 niet op gesprek verschenen.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het College het recht op bijstand opgeschort met ingang van 28 augustus 2008 op de grond dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om op 28 augustus 2008 op gesprek te komen. Het College heeft appellante tevens uitgenodigd voor een gesprek op 1 september 2008 en haar gevraagd alle opeenvolgende afschriften van bank/postbankrekeningen (inclusief spaarrekeningen) van haarzelf en van haar inwonende, minderjarige kinderen mee te nemen. Daarbij is haar meegedeeld dat de bijstand wordt gestopt indien zij aan de brief onvoldoende gevolg geeft. Appellante is 1 september 2008 op gesprek verschenen.

1.4. Bij brief van 4 september 2008 heeft DWI appellante uitgenodigd voor een gesprek op 8 september 2008 en gevraagd polissen van spaarfondsen en levensverzekeringen mee te nemen. Appellante is 8 september 2008 op gesprek verschenen.

1.5. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 28 augustus 2008 ingetrokken. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde informatie niet of onvoldoende heeft verstrekt en evenmin gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om deze informatie alsnog te verstrekken. Met name ontbreken gegevens over spaarfondsen en levensverzekeringen.

1.6. Bij besluit van 17 december 2008 heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 28 augustus 2008 en 23 september 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat onder de bij de brief van 26 augustus 2008 en het besluit van 28 augustus 2008 gevraagde gegevens ook afschriften betreffende spaarfondsen en levensverzekeringen moeten worden begrepen en dat appellante die gegevens niet tijdens het gesprek op 1 september 2008 heeft overgelegd. Bij brief van 4 september 2008 is appellante zeer expliciet gevraagd de polissen van de spaarfondsen en levensverzekeringen mee te nemen. Op 8 september 2008 had appellante wederom niet alle gevraagde stukken bij zich. Volgens het College waren de gevraagde gegevens van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand en is appellante redelijkerwijs in staat geweest deze binnen de hersteltermijn te leveren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 december 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij tijdens het gesprek op 8 september 2008 een deel van de gevraagde polissen van spaarfondsen en levensverzekeringen heeft overgelegd en volledige openheid van zaken heeft gegeven. Appellante heeft expliciet gevraagd om nader uitstel voor het aanleveren van de rest van de polissen. In de bezwaarfase zijn alle stukken waar om was gevraagd overgelegd en conform de door appellante verstrekte informatie gebleken. Volgens appellante had het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik mogen maken en aan appellante een nadere hersteltermijn moeten verlenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 28 augustus 2008 niet heeft bestreden.

4.3. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4. Vaststaat dat appellante op 8 september 2008 slechts een deel van de gevraagde polissen van spaarfondsen en levensverzekeringen heeft overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante daarmee heeft verzuimd de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens binnen de daartoe gestelde termijn te verstrekken. Evenmin is in geschil dat die gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Niet gesteld of gebleken is dat appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn over die gegevens heeft kunnen beschikken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante haar stelling dat zij tijdens het gesprek op 8 september 2008 om uitstel voor het aanleveren van de rest van de polissen heeft verzocht, niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarvoor zijn in de gedingstukken, bijvoorbeeld in het rapport van bevindingen van 8 september 2008 waarin van het gesprek van 8 september 2008 verslag wordt gedaan en in de schriftelijke door haar ondertekende verklaring van appellante van 8 september 2008, geen aanknopingspunten te vinden.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 28 augustus 2008 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Naar aanleiding van het feit dat appellante de gevraagde gegevens in bezwaar alsnog heeft overgelegd merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit geval geen sprake is.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.