Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10-3264 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat betrokkene in de in geding zijnde periode niet feitelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3264 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 april 2010, 09/4821 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P-P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken nrs. 09/4446 WWB en 09/4447 WWB. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Voor betrokkene is verschenen mr. Tummers. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 22 december 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft bij besluit van 19 augustus 2008 de bijstand van betrokkene beëindigd met ingang van 20 augustus 2008 en over de periode van 1 mei 2008 tot 20 augustus 2008 ingetrokken op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met [C.] (hierna: [C.]).

1.2. Op 8 april 2009 heeft betrokkene zich bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB. Betrokkene heeft op zijn aanvraagformulier vermeld bij zijn ouders in te wonen op het adres [adres 1] te Nijmegen. Tijdens het intakegesprek op 12 mei 2009 heeft betrokkene meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met [C.]. Voorts heeft hij aangegeven dat hij tijdens de vakantie van zijn ouders in de periode van 14 mei 2009 tot 4 juni 2009 niet in hun woning kan verblijven en nog niet weet waar hij in die periode zal verblijven. Met betrokkene is afgesproken dat hij gedurende deze periode wekelijks een zogenoemde verblijflijst zal inleveren. Naar aanleiding van gerezen twijfel omtrent het woonadres van betrokkene, hebben twee medewerkers van het Bureau Handhaving van de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen (hierna: Bureau Handhaving) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In dat kader zijn enkele waarnemingen verricht en hebben enkele buurtbewoners uit de omgeving van het adres van [C.], [adres 2] te Nijmegen, verklaringen afgelegd. De onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapportage van 2 juli 2009, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 24 juni 2009 de aanvraag af te wijzen. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres, zodat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Tegen deze afwijzing is door betrokkene bezwaar gemaakt.

1.3. Naar aanleiding van het door betrokkene gemaakte bezwaar hebben twee medewerkers van Bureau Handhaving op 17 september 2009 een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 1], waarbij een gesprek heeft plaatsgevonden met betrokkenes moeder, die tevens de kamer van betrokkene heeft getoond. Voorts is een buurtbewoner uit de omgeving van het adres [adres 1] gehoord. Het College heeft in de bevindingen van dit nadere onderzoek, zoals neergelegd in een rapportage van 18 september 2009, geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen en heeft bij besluit van 2 november 2009 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 november 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2009. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de onderzoeksbevindingen zoals deze door appellant aan het besluit van 2 november 2009 ten grondslag zijn gelegd, onvoldoende feitelijke grondslag vormen voor het standpunt van appellant dat het niet aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1].

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in de rapportage van 2 juli 2009 in samenhang met de overige bevindingen, voldoende grondslag vormen voor het standpunt dat betrokkene ten tijde van belang niet zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1]. Appellant verwijst hiertoe met name naar de door betrokkene overgelegde verblijflijsten, die niet de gehele vakantieperiode van zijn ouders van 14 mei 2009 tot 4 juni 2009 bestrijken en waarvan bovendien enkele lijsten op voorhand al waren ondertekend door degene bij wie betrokkene stelde in die periode te verblijven. Voorts verwijst appellant naar de bevindingen van de op 3 november 2008 en 17 september 2009 afgelegde huisbezoeken en de verklaring die de moeder van betrokkene op 17 september 2009 heeft afgelegd. Hieruit heeft appellant geconcludeerd dat de bij die gelegenheden getoonde kamer, dezelfde kamer was met nagenoeg dezelfde spullen als waar de zoon van betrokkene in een eerder afgelegd huisbezoek heeft gesteld te verblijven. Voorts wijst appellant op een tegenstrijdigheid in de verklaringen van betrokkene en de moeder van betrokkene over het aantal nachten dat betrokkene op het adres [adres 1] verblijft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de te beoordelen periode in een geval als het onderhavige loopt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit, derhalve de periode van 8 april 2009 tot en met 24 juni 2009.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van appellant dat betrokkene in de in geding zijnde periode niet feitelijk zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1]. De Raad volgt weliswaar het standpunt van appellant dat aan de betrouwbaarheid van de door betrokkene overgelegde verblijflijsten getwijfeld kan worden, maar voegt hieraan toe dat daar niet de conclusie aan verbonden kan worden dat betrokkene in de gehele periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1]. Deze conclusie kan ook niet getrokken worden, al dan niet in samenhang met het voorgaande, uit de resultaten van het door appellant afgelegde huisbezoek op 17 september 2009 op het adres [adres 1].

Dat huisbezoek vond immers plaats na de hier te beoordelen periode. In de rapportage van 18 september 2009 is weliswaar vastgelegd dat de moeder van betrokkene tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat betrokkene gemiddeld drie nachten per week op het adres [adres 1] slaapt, maar daaruit blijkt niet, anders dan de vertegenwoordiger van appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld, dat die verklaring ook ziet op de hier te beoordelen periode. Uit de rapportage van 18 september 2009 kan evenmin worden opgemaakt dat de moeder van betrokkene is gevraagd dan wel heeft verklaard, dat er geen wijziging in de situatie met betrekking tot de bewoning van de kamer van betrokkene in de periode van 3 november 2008 tot 17 september 2009 heeft plaatsgevonden, nog daargelaten welke conclusie hieraan dan vervolgens verbonden zou moeten worden. Hetgeen overigens nog door appellant is aangevoerd rechtvaardigt evenmin de conclusie dat betrokkene ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf niet op het adres [adres 1] had. De Raad merkt hierbij nog op dat hij - anders dan appellant - niet ziet waarom een direct na het intakegesprek op 12 mei 2009 afgelegd huisbezoek op het adres [adres 1] niet had kunnen bijdragen tot verificatie van de door betrokkene opgegeven woonsituatie.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 448,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.