Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
09-3396 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAJONG-uitkering. Nu eerst met de ter uitvoering van de tussenuitspraak gegeven nadere toelichtingen het gebrek in het bestreden besluit is hersteld en een voldoende grondslag is verkregen, wordt het besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3396 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2009, 08/1239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 april 2011 een tussenuitspraak, LJN BQ2070, gedaan (hierna: tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 6 juni 2011 een nadere toelichting op zijn besluit van 14 maart 2008 gegeven en onder meer ingezonden:

- een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 mei 2011;

- een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 mei 2011;

- een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2011.

Namens appellant heeft mr. A.M. Slierendrecht, advocaat te Utrecht, bij brief van 22 juni 2011 zijn zienswijze gegeven.

De Raad heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de uitkering van appellant op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per 26 juni 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

14 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. De Raad heeft in de tussenuitspraak, onder verwijzing naar het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige psychiater H.E. Becker van 14 juni 2010, geoordeeld dat het besluit van 14 maart 2008 op een ontoereikende medische grondslag berust, omdat op de aspecten 1.1, 1.2 en 1.3 van de FML ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen. De Raad heeft het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen vorenbedoeld gebrek te herstellen.

3.1. Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar de onder rubriek 1 ingezonden stukken, op het standpunt gesteld dat het besluit van 14 maart 2008 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. In de FML van 24 mei 2011 zijn aanvullende beperkingen aangenomen op de aspecten 1.1, 1.2 en 1.3 en arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 juni 2007 ongewijzigd blijft, aldus het Uwv.

3.2. Namens appellant is primair aangevoerd dat het Uwv het gebrek in het besluit van 14 maart 2008 niet binnen de in de tussenuitspraak vermelde termijn van zes weken heeft hersteld, zodat de nadere toelichting en ingezonden stukken buiten beschouwing dienen te blijven. Subsidiair is aangevoerd dat de FML van 24 mei 2011 niet conform de bevindingen van de deskundige Becker is aangepast.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De stelling van appellant, dat de omstandigheid dat het Uwv niet binnen de termijn van zes weken uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak dient te leiden tot het buiten beschouwing laten van de bij brief van 6 juni 2011 gegeven nadere toelichting en ingezonden stukken, vindt geen steun in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en slaagt dan ook niet. Overigens is de Raad niet gebleken dat appellant door de - overigens zeer korte - overschrijding van de termijn op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv met het nadere rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 mei 2011 en de aangepaste FML van 24 mei 2011 het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek heeft hersteld. In de FML zijn beperkingen aangenomen op de aspecten 1.1, 1.2 en 1.3 en daarmee is op juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak. Appellant heeft bij zijn zienswijze als neergelegd in de brief van 22 juni 2011 aangevoerd dat de bevindingen van deskundige Becker onjuist zijn vertaald naar de FML; er hadden forse in plaats van lichte beperkingen op meergenoemde aspecten dienen te worden aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet. Uit het rapport van de deskundige Becker van 14 juni 2010 noch uit de overige medische stukken kan worden afgeleid dat bij appellant sprake is van forse cognitieve beperkingen. In het op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts opgestelde expertiserapport van de klinisch psycholoog/neuropsycholoog drs. M.S.P. Vermeulen van 7 januari 2008 worden weliswaar cognitieve beperkingen met betrekking tot concentratie, aandacht en geheugen aangenomen, maar worden geen uitspraken gedaan over de ernst daarvan. In de lijn van de visie van de bezwaarverzekeringsarts als neergelegd in het rapport van 24 mei 2011 is de Raad van oordeel dat de daginvulling van appellant en de gestelde diagnoses niet wijzen op het aanwezig zijn van forse cognitieve beperkingen.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 14 maart 2008 is de Raad van oordeel dat deze met de inzending van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2011 als toereikend dient te worden beschouwd. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in aanmerking genomen functies niet in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.4. Nu eerst met de ter uitvoering van de tussenuitspraak gegeven nadere toelichtingen als bedoeld in 4.2 en 4.3 meerbedoeld gebrek is hersteld en een voldoende grondslag is verkregen voor het besluit van 14 maart 2008, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak, alsmede het besluit van 14 maart 2008 te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, bestaande uit de kosten voor verleende rechtshulp tot een bedrag in beroep van

€ 644,- en in hoger beroep van € 644,- zijnde in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1288,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR