Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10-3976 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het beroep op het protocol COPD slaagt niet, nu dat protocol eerst op 1 december 2008 in werking is getreden, terwijl de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 20 juni 2006 is. Niet aannemelijk dat appellant meer beperkingen had dan door het Uwv tot uitgangspunt zijn genomen. Geen twijfel dat appellant in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3976 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 juni 2010, 09/17 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is bij faxbericht van 11 juli 2011 een rapport van de medisch adviseur D. Sok in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2011. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als meewerkend eigenaar van een shoarmazaak. In juni 2007 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in verband met een in juli 2002 ingetreden arbeidsongeschiktheid vanwege psychische klachten als gevolg van het afbranden van zijn zaak.

1.2. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 20 juni 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAZ, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Bij besluit van 28 november 2008, hierna: het bestreden besluit, is het door appellant tegen het besluit van 12 juni 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat niet is gebleken van aanknopingspunten om appellant in lichamelijk en/of psychisch opzicht meer en/of verdergaand beperkt te achten dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. De rechtbank was voorts van oordeel dat appellant op de datum in geding, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, daarbij inbegrepen de - in verband met daarin voorkomende soldeerdampen door appellant expliciet betwiste - functie van productiemedewerker industrie.

3. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat voor hem verdergaande beperkingen hebben te gelden dan tot uitgangspunt is genomen bij de bestreden besluitvorming. Eveneens is herhaald dat hij niet in staat is tot het verrichten van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies. In het bijzonder wijst appellant daarbij andermaal op de functie van productiemedewerker industrie. Hij betwist, gelet op zijn longklachten en de in die functie vrijkomende soldeerdampen, in staat te zijn tot het vervullen van die functie. Bij het in rubriek I genoemde faxbericht van 11 juli 2011 heeft appellant ter onderbouwing van zijn medische bezwaren een rapport in het geding gebracht van medisch adviseur Sok, gedateerd 5 augustus 2010.

4.1. De Raad overweegt vooraf dat, naar ook van de zijde van het Uwv ter zitting is opgemerkt, het uit een oogpunt van behoorlijke procesvoering bedenkingen ontmoet dat van de zijde van appellant eerst relatief kort voor de geplande zittingsdatum een medisch rapport wordt ingebracht dat reeds blijkt te zijn opgesteld in augustus 2010. Niet valt in te zien dat dit rapport niet op een eerder moment had kunnen worden ingezonden. Naar van de zijde van het Uwv is aangegeven, was het als gevolg van deze gang van zaken en mede in aanmerking nemend dat het een vakantieperiode betreft, niet meer mogelijk nog tijdig een schriftelijke reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts te verkrijgen. De Raad zal hier verder, in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen en geoordeeld over de betekenis van het betreffende rapport voor de beoordeling van het onderhavige geschil, geen verdere gevolgen aan verbinden.

4.2. Medisch adviseur Sok heeft aangegeven dat er, in het licht van het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen kunnen worden gevolgd, geen nieuwe gegevens zijn aan te voeren. Wat betreft de longklachten van appellant zou volgens Sok eventueel kunnen worden overwogen een beoordeling door een longarts te laten verrichten. Hierbij wordt gewezen op het protocol COPD, in welk verband wordt opgemerkt dat niet geheel duidelijk is of bij appellant alleen sprake is van astma dan wel van een combinatie van astma en COPD. Het longfunctieonderzoek uit 2004 is volgens Sok te oud om daar nu nog waarde aan toe te kennen. Wanneer er bij appellant sprake is van COPD, maar ook indien alleen sprake is van astma, kan beroepsmatige blootstelling aan gassen, dampen, en of aerosollen (stof, nevel en rook) leiden tot een versnelde afname van de longfunctie en bijdragen tot de ontwikkeling van COPD. In het licht hiervan is naar het oordeel van Sok van de zijde van het Uwv onvoldoende onderbouwd dat er geen indicatie is voor een beperking ten aanzien van blootstelling aan soldeerdamp.

4.3. De Raad constateert in de eerste plaats dat van de zijde van appellant niet wordt gesteld, en in elk geval niet aan de hand van enig nader medisch gegeven wordt onderbouwd, dat zijn beperkingen op ander vlak dan op pulmonaal gebied zijn onderschat. De Raad heeft in het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische informatie, in navolging van de rechtbank, ook geen aanknopingspunten gevonden om daarvan uit te gaan.

4.4. Wat betreft de in hoger beroep benadrukte longklachten, overweegt de Raad, in het licht van wat daarover van de zijde van appellant bij monde van medisch adviseur Sok is aangevoerd, dat het beroep op het protocol COPD reeds niet kan slagen, nu dat protocol eerst op 1 december 2008 in werking is getreden, terwijl de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 20 juni 2006 is.

4.5. Afgezien daarvan, bevatten de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen dat appellant ten tijde hier van belang aan COPD, chronisch obstructief longlijden - omvattend de aandoeningen chronische bronchitis, chronische bronchiolitis en/of emfyseem - zou lijden. De voorliggende gegevens wijzen uit dat bij appellant sprake is van een niet ernstige vorm van astma. Naar de bezwaarverzekeringsarts heeft uiteengezet bij rapport van 12 november 2008 volstaat daarvoor de reeds in aanmerking genomen beperking ten aanzien van blootstelling aan stof. Voor verdergaande beperkingen, in het bijzonder ten aanzien van blootstelling aan damp, ontbreekt een medische noodzaak. Een in 2004 bij appellant uitgevoerd longfunctie-onderzoek liet een ongestoorde longfunctie zien. De bezwaarverzekeringsarts geeft overigens aan dat appellant tot circa augustus 2008, dus ook nog ten tijde van de datum in geding, fors - 1 tot 2 pakjes sigaretten per dag - heeft gerookt en daarvan geen klachten had.

4.6. Op grond van het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 komt de Raad tot de slotsom dat appellant ook in hoger beroep niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij ten tijde hier van belang meer en/of verdergaande beperkingen had dan de beperkingen die bij het nemen van het bestreden besluit door het Uwv tot uitgangspunt zijn genomen.

4.7. Tot slot staat ook voor de Raad genoegzaam buiten twijfel dat appellant op de datum in geding in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, inbegrepen de functie van productiemedewerker industrie. Bij dit laatste heeft de Raad nog acht erop geslagen dat, afgezien van wat hiervoor is geoordeeld over het ontbreken van een noodzaak voor verdergaande beperkingen dan de al in aanmerking genomen beperking op het aspect blootstelling aan stof, de gewraakte soldeerdampen volgens de beschikbare gegevens op de werkplek worden afgezogen.

4.8. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

EV