Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10-3241 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking WAJONG-uitkering. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit niet op juiste wijze gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank in haar uitspraak van 10 juni 2009. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3241 WAJONG-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2010, 09/4443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.C.M. Mulder, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 22 juli 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop geen aanleiding te hebben gezien het daags voor de zitting gedane verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting wegens ziekte van de gemachtigde van appellante in te willigen. Niet is gebleken dat ter zitting niet een kantoorgenoot van de gemachtigde zou hebben kunnen verschijnen.

2. Aan appellante is naar aanleiding van haar aanvraag van 17 april 2003 om een uitkering op grond van de toen geldende Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 17 april 2002 een volledige Wajong-uitkering toegekend. Deze uitkering bleef bij latere herbeoordelingen ongewijzigd omdat functieduiding met invulling van werktijden en rustpauzes naar gelang van de fysieke gesteldheid van appellante niet mogelijk was.

3. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op grond van het met ingang van 1 oktober 2004 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten op 21 februari 2008 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts nam een anamnese af, noteerde in haar rapport van dezelfde datum het dagverhaal en stelde na lichamelijk en psychisch onderzoek de diagnose familiaire hypercholesterolaemie. Volgens de verzekeringsarts had appellante onveranderd klachten van moeheid maar minder klachten van spierpijn. Om energetische redenen in verband met de slaapbehoefte van appellante tot 11 uur per dag achtte de verzekeringsarts beperkingen ten aanzien van avond- en nachtdiensten en een urenbeperking tot 8 uur per dag en 40 uur per week aangewezen. Verder golden er beperkingen ten aanzien van zware fysieke belasting. De beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens

21 februari 2008. Daarbij liet de verzekeringsarts vervallen de in de voorheen gegolden hebbende FML met toelichting verwoorde beperkingen op de items 4.24.1 en 6.4.1, die volgens het arbeidskundig onderzoek van 26 januari 2006 destijds functieduidng onmogelijk maakten. Bij het arbeidskundig onderzoek van 14 maart 2008 werd echter vastgesteld dar er bij functieduiding geen verlies aan verdienvermogen was. Hierna trok het Uwv bij besluit van 21 mei 2008 de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 22 juli 2008 in.

4.1. In de bezwaarprocedure onderschreef bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden de FML. Zij concludeerde onder andere dat er geen medische noodzaak was dat appellante haar werktijden en rustpauzes zelf moest kunnen invullen in verband met haar fysieke gesteldheid en dat met de door de appellante behandelende internist

dr. A.J. Apperloo in zijn brief van 13 augustus 2008 vermelde spierpijn en moeheid in de FML voldoende rekening is gehouden. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 27 augustus 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond.

4.2.1. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 10 juni 2009, 08/4740, het beroep van appellante tegen het besluit van

27 augustus 2008 gegrond, vernietigde dat besluit en droeg het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.2.2. De rechtbank oordeelde dat haar onvoldoende gebleken was waarom er in verband met de verminderde energetische belastbaarheid van appellante geen aanleiding was om verdergaande beperkingen te stellen in de FML ter zake van het aantal uren per dag en per week. In dit verband wees de rechtbank op de in 4.1 vermelde brief van Apperloo, die aangaf dat de noodzakelijke medicatie van appellante gepaard gaat met veel bijwerkingen met spierpijnen en moeheid op de voorgrond en dat deze kunnen leiden tot een aanzienlijk verminderde belastbaarheid. Volgens de rechtbank, die ook wees op de vaststelling door de verzekeringsarts van de slaapbehoefte van appellante, had de bezwaarverzekeringsarts in verband met deze brief nadere informatie bij Apperloo kunnen inwinnen of een expertise kunnen laten verrichten door bijvoorbeeld een revalidatiearts. Door dit niet te doen oordeelde de rechtbank dat het besluit van 27 augustus 2008 was genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3.1. Ter uitvoering van de in 4.2.1 vermelde uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 22 juli 2009 aan Apperloo drie vragen voorgelegd. Naast naar de aard en de ernst van de geobjectiveerde stoornissen en naar de belemmeringen als gevolg van ziekte of gebrek, vroeg zij in het bijzonder of in verband met de aandoening sprake was van een toegenomen recuperatienoodzaak, zich concreet uitend in niet gebruikelijke rust- en herstelperiodes (vraag 2) en of bij deze aandoening voltijds werken in licht werk op den duur schade toebrengt aan de gezondheid (vraag 3). Apperloo wees in zijn antwoordbrief van 27 augustus 2009 op zijn brief van 13 augustus 2008 maar ging niet in op de vragen

2 en 3 omdat hij zich op het standpunt stelde dat dat vragen zijn voor een arbeidsdeskundige en niet voor een internist.

4.3.2. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in haar rapport van 1 september 2009 naar aanleiding van de antwoordbrief van Apperloo dat deze geen nieuwe medische feiten bevatte, dat de FML in overeenstemming is met de eerdere informatie van Apperloo, dat er geen indicatie was voor een verdere urenbeperking en dat er ook geen inhoudelijke indicatie dan wel een indicatie op zorgvuldigheidsgronden was voor een nader medisch onderzoek door bijvoorbeeld een revalidatiearts. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 2 september 2009 het bezwaar van appellante wederom ongegrond.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van

2 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond.

5.2. De rechtbank vermeldde – onder verwijzing naar haar meergenoemde uitspraak van 10 juni 2009 – dat de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie heeft ingewonnen bij Apperloo, maar dat hij in zijn brief van 27 augustus 2009 de vragen 2 en 3 niet heeft beantwoord. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de belastbaarheid van appellante voldoende zorgvuldig is geweest, dat dit onderzoek in overeenstemming is met de opdracht van de rechtbank bij deze uitspraak en dat de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Aan de bestrijding ter zitting van enkele onderdelen van de FML ging de rechtbank voorbij omdat die bestrijding naar haar oordeel tardief was. Ten slotte achtte de rechtbank de medische geschiktheid van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies voldoende toegelicht.

6. In hoger beroep heeft appellante de in beroep voorgedragen gronden in essentie herhaald. Het komt erop neer dat appellante van mening is dat het Uwv onvoldoende heeft voldaan aan de uitspraak van 10 juni 2009. Het Uwv had nader medisch onderzoek moeten laten verrichten door een revalidatiearts. Ook bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven in 5.2, over de uitvoering door het Uwv van de opdracht. Verder bestrijdt appellante dat zij tardief de juistheid van de FML voor het overige heeft betwist. Zij had immers reeds in haar beroepschrift bij de rechtbank tegen het eerdere besluit op bezwaar van 27 augustus 2008 aangegeven dat haar mogelijkheden in de FML te optimistisch waren weergegeven.

7.1. De Raad is – anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak – van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit niet op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de in 4.2.2 omschreven opdracht van de rechtbank in haar uitspraak van

10 juni 2009. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts weliswaar in formele zin heeft voldaan aan deze opdracht. Voorts kan de Raad op zich billijken de keuze van deze arts om nadere informatie in te winnen bij Apperloo en niet een expertise te laten verrichten. De opdracht was immers alternatief en niet cumulatief geformuleerd. Nu Apperloo echter in zijn brief van 27 augustus 2009 de vragen 2 en 3 van de bezwaarverzekeringsarts niet heeft beantwoord, had het op haar weg gelegen Apperloo, zonodig met een nadere toelichting op de taak van een arbeidsdeskundige bij een schatting, nader te bevragen dan wel een andere internist een expertise te laten verrichten met het oog op de beantwoording van deze vragen. De Raad kan dan ook niet anders concluderen dan dat de bezwaarverzekeringsarts – en daarmee het Uwv bij het bestreden besluit – inhoudelijk bezien niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Dit oordeel van de Raad wordt ook niet anders door de poging van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 1 september 2009 om de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit niettemin, ondanks de hiervoor gesignaleerde gebrekkige uitvoering van die opdracht, inhoudelijk te funderen. Het Uwv had immers geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van

10 juni 2009 ingesteld en de rechtbank had in die uitspraak vastgesteld dat zonder het door haar bedoelde nadere onderzoek het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat daardoor het besluit van 27 augustus 2008 onvoldoende was gemotiveerd.

7.2. De Raad overweegt voorts dat het oordeel van de rechtbank inzake de tardieve gronden tegen de FML er niet aan in de weg staat dat appellante in hoger beroep gronden tegen de FML voor het overige inbrengt. Ook in hoger beroep heeft appellante herhaald dat de FML op verschillende onderdelen onjuist is. Daarbij wees appellante op haar opmerkingen ter zitting van de rechtbank van 25 maart 2010, waarin zij wees op haar eigen verklaring. Voor zover appellante hiermee doelt op het door haar ingevulde vragenformulier met het oog op de in geding zijnde herbeoordeling wijst de Raad erop dat zij daarin wel heeft aangegeven dat haar problemen bij een aantal nader omschreven activiteiten gelijk zijn gebleven maar appellante heeft in hoger beroep niet uitgewerkt op welke onderdelen de FML voor het overige haar belastbaarheid onjuist weergeeft.

7.3. Overweging 7.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wederom is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb, zodat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

7.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een – formele dan wel informele – bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

7.5. In het voorliggende geval ziet de Raad, bij gebreke thans van voldoende medische gegevens om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het andermaal nemen van een besluit op het bezwaar van appellante. Ter voorbereiding op dit nieuwe besluit dient de bezwaarverzekeringsarts met het oog op de beantwoording van de door haar aan Apperloo gestelde vragen 2 en 3 een andere internist te vragen een expertise te verrichten. Daarbij komt het de Raad aangewezen voor dat de bezwaarverzekeringsarts tevens de vraag stelt of in het geval van appellante op de datum in geding gedragsmatige aspecten van invloed kunnen zijn geweest op het klachtenpatroon en of om die reden een aanvullende expertise van bijvoorbeeld een psychiater gewenst is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H. Bolt en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK