Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10-4233 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO- en TW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel. Verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben ieder een eigen taak en verantwoordelijkheid bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid. Het nader als getuige bevragen van de arbeidsdeskundige over de gang van zaken zou, gelet ook op hetgeen uit de stukken viel af te leiden, voor de oordeelsvorming van de rechtbank geen toegevoegde waarde kunnen hebben gehad. De rechtbank heeft het daartoe strekkende verzoek dan ook kunnen afwijzen. Rechtskarakter re-integratievisie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4233 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2010, 09/2782 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.R. Hostmann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hostmann. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving sinds 25 november 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het Uwv deze uitkering beëindigd met ingang van 28 maart 2009. Bij brief van eveneens 27 januari 2009 heeft het Uwv appellante de ten aanzien van haar opgestelde re-integratievisie toegezonden. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft het Uwv appellantes uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 28 maart 2009 beëindigd. Het Uwv heeft de bezwaren van appellante tegen deze besluiten bij besluit van 30 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het bezwaar tegen de brief van 27 januari 2009 ongegrond was verklaard, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank was van oordeel dat de intrekkingen van de WAO- en de TW-uitkering terecht waren, maar dat de re-integratievisie ten onrechte als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was aangemerkt. De rechtbank overwoog hiertoe dat in de re-integratievisie, waarin is vermeld dat het Uwv (nog) geen re-integratieactiviteiten start omdat appellante niet wil meewerken aan haar re-integratie, geen uitwerking van rechten en verplichtingen van appellante was vastgelegd.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek dat aan de intrekkingen van haar WAO- en TW-uitkering ten grondslag heeft gelegen niet zorgvuldig is geweest, omdat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv haar niet heeft onderzocht en omdat bij het vaststellen van haar beperkingen geen rekening is gehouden met de maag- en darmklachten die zij sinds 1999 heeft en waarvoor zij onlangs nog in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Zij meent dat de rechtbank een nader medisch onderzoek had moeten laten verrichten en de afwijzing van haar verzoek om daartoe over te gaan onvoldoende heeft gemotiveerd. Appellante meent verder dat de rechtbank ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan haar verzoek om arbeidsdeskundige M.E. Poortvliet van het Uwv ter zitting als getuige te horen. Zij heeft daarnaast het oordeel van de rechtbank over de re-integratievisie bestreden. Volgens appellante heeft de re-integratievisie rechtsgevolgen voor haar en is die visie daarom een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Appellante heeft bezwaar tegen dat besluit voor zover daarin staat dat zij niet wil meewerken aan haar re-integratie. Volgens appellante is geen sprake van onwil, maar is zij vanwege haar gezondheidtoestand niet in staat om mee te werken aan re-integratie.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.1. Bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep heeft zijn rapport van 9 juni 2009 gebaseerd op het dossier van appellante en gegevens die tijdens de hoorzitting door appellante waren overgelegd. In het dossier zaten een rapportage van verzekeringsarts Vergroesen, opgesteld op basis van de anamnese, eigen onderzoek en informatie van de huisarts. Op de hoorzitting heeft appellante diverse beschikkingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning overgelegd en enkele doktersattesten. De bezwaarverzekeringsarts heeft na bestudering van deze gegevens geconcludeerd dat daarin geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. Om die reden heeft hij het niet nodig gevonden om appellante zelf te onderzoeken. Ook de in de beroepsprocedure door appellante overgelegde medische informatie bevatte volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische feiten. Appellante heeft geen gegevens ingebracht die wat dat betreft in een andere richting wijzen. De Raad volgt dit standpunt dan ook en is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts er op goede gronden van heeft afgezien om appellante zelf te onderzoeken en dat ook deugdelijk heeft gemotiveerd.

4.1.2. In de zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (FML) die ten aanzien van appellante is opgemaakt zijn geen beperkingen opgenomen in verband met maag- en darmklachten. Appellante heeft in het kader van haar herbeoordeling echter nooit melding gemaakt van dergelijke klachten en zij heeft ook geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat die klachten, die zich volgens haar hadden gemanifesteerd in 1999 en daarna voortdurend aanwezig zijn geweest, ook ten tijde van de herbeoordeling in 2008 bestonden. Uit de op 30 juni 2011 door appellante overgelegde brief van haar huisarts van 27 mei 2011 is af te leiden dat pas het laatste jaar sprake is van ernstige buikklachten en diarree. Gelet hierop kan aan het achterwege laten van beperkingen in verband met maag- en darmklachten niet de conclusie worden verbonden dat de FML geen juiste weergave geeft van appellantes beperkingen.

4.1.3. Uit 4.1.1 en 4.1.2 volgt dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad twijfelt niet aan de juistheid van het aan de beëindigingsbesluiten ten grondslag liggende medisch oordeel. In de door appellante overgelegde medische informatie behoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om een deskundige te benoemen. De afwijzing van appellantes verzoek daartoe door de rechtbank kan daarom standhouden. Door te verwijzen naar de gang van zaken en de inhoud van de zich in het dossier bevindende rapportages heeft de rechtbank die afwijzing voldoende gemotiveerd.

4.2.1. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft appellante het hoger beroep beperkt tot de grond dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar verzoek tot het horen van arbeidsdeskundige Poortvliet van het Uwv. Volgens appellante heeft deze arbeidsdeskundige haar tijdens een huisbezoek op 20 januari 2009 medegedeeld dat zij appellante arbeidsongeschikt achtte en dat zij hierover contact zou opnemen met de verzekeringsarts.

4.2.2. In het dossier bevindt zich een e-mail van genoemde arbeidsdeskundige aan verzekeringsarts Vergroesen van

21 januari 2009. Hierin wordt aan de verzekeringsarts verslag gedaan van appellantes reactie op het rapport van Vergroesen en de door haar opgestelde FML en wordt de verzekeringsarts gevraagd of deze nog een wijziging wil aanbrengen in die FML. Het antwoord van Vergroesen aan Poortvliet per e-mail van 22 januari 2009 luidt dat er geen reden is tot enige verandering in de FML. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 15 april 2009 gerapporteerd over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.

4.2.3. Arbeidsdeskundige Poortvliet is blijkens het vorenstaande haar toezegging aan appellante om contact op te nemen met de verzekeringsarts nagekomen. Toen die te kennen gaf de opgestelde FML te handhaven was de arbeidsdeskundige gehouden om op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vast te stellen. In dit verband wijst de Raad erop dat verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ieder een eigen taak en verantwoordelijkheid hebben bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid. Het nader als getuige bevragen van de arbeidsdeskundige over de gang van zaken zou, gelet ook op hetgeen uit de stukken viel af te leiden, voor de oordeelsvorming van de rechtbank geen toegevoegde waarde kunnen hebben gehad. De rechtbank heeft het daartoe strekkende verzoek dan ook kunnen afwijzen.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de besluiten van het Uwv tot beëindiging van de WAO- en TW-uitkering van appellante met ingang van 28 maart 2009 terecht in stand heeft gelaten.

4.4.1. Op 23 september 2009, LJN BJ8466 heeft de Raad uitspraak gedaan over het rechtskarakter van een re-integratievisie waarin is geconcludeerd dat het Uwv (nog) geen re-integratieactiviteiten start, aangezien betrokkene niet aan haar re-integratie wil meewerken, niet meer wil deelnemen aan het arbeidsproces en geen aanspraak maakt op een uitkering waaraan een sollicitatieplicht is verbonden. De Raad overwoog in die uitspraak dat het Uwv, door betrokkene aldus mede te delen dat (vooralsnog) geen re-integratie-instrumenten zullen worden ingezet, te kennen heeft gegeven de hem ingevolge artikel 30, eerste lid, onder b, van de Wet Suwi toebedeelde (re-integratie)taak in het onderhavige geval niet uit te voeren. Naar het oordeel van de Raad had aldus een rechtsvaststelling plaatsgevonden met betrekking tot betrokkenes aanspraken op re-integratie. De re-integratievisie is daarmee naar het oordeel van de Raad in zoverre op rechtsgevolg gericht. Onder verwijzing naar deze uitspraak komt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de onderhavige re-integratievisie niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat appellante om die reden niet kon worden ontvangen in haar bezwaar.

4.4.2. Appellante heeft ter zitting van de Raad als bezwaar tegen de re-integratievisie naar voren gebracht dat daarin staat dat zij niet wil meewerken aan haar re-integratie in plaats van dat zij daartoe niet in staat is. Appellante onderkent dat honorering van dat bezwaar geen gevolgen zou hebben voor haar aanspraken op re-integratie zoals neergelegd in de re-integratievisie.

4.4.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Nu daarvan geen sprake is en appellante dat ter zitting heeft erkend, had appellante geen voldoende procesbelang en had de rechtbank het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. In zoverre komt de aangevallen uitspraak in aanmerking voor bevestiging met verbetering van gronden.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK