Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
10-4217 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wuv-aanvraag. Bij appellante is sprake van een ‘normaal’ verdriet om de dood van haar vader, maar een (causale) psychiatrische ziekte of gebrek is niet aanwezig. De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4217 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en uitkeringsraad (hierna verweerder)

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering Wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de PUR als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 juni 2010, beschikkingnr. BZ01 WUV 000117, (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2011. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1934 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in februari 2009 een zogeheten samenloop-aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv dan wel een toeslag en voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië.

1.2. Bij besluit van 7 oktober 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de Wuv-aanvraag van appellante afgewezen omdat niet vastgesteld kon worden dat zij vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Wel hebben appellantes oorlogsomstandigheden, in het bijzonder het overlijden van haar vader ten gevolge van vervolging, verweerder aanleiding gegeven door een psychiater te laten onderzoeken of appellante met een vervolgde gelijk kan worden gesteld met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv. Omdat de psychiater concludeerde dat bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader, heeft verweerder besloten dat appellante niet gelijk gesteld kan worden met een vervolgde.

1.3. Bij een tweede besluit van 7 oktober 2009 heeft verweerder erkend dat appellante getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo in verband met het feit dat zij tijdens de Bersiap geïnterneerd is geweest in De Wijk te Malang.

1.4. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt, maar nadat haar was uitgelegd dat zij voor een uitkering en voorzieningen op de grond van de Wubo niet in aanmerking kon komen omdat zij de Nederlandse nationaliteit niet (meer) bezit, heeft appellante het bezwaar tegen het Wubo-besluit ingetrokken. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld.

2. De Raad overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen door partijen in beroep naar voren is gebracht het volgende.

2.1. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens moet de Raad met verweerder vaststellen dat niet is gebleken dat appellante tijdens de Japanse bezetting vervolging heeft ondergaan in de zin van artikel 2 van de Wuv. Wel is gebleken dat appellante tijdens de zogenoemde Bersiapperiode van haar vrijheid beroofd is geweest, maar deze vrijheidsberoving kan niet onder de werking van de Wuv worden gebracht.

2.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv is verweerder onder meer bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wuv een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerder hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt en de Raad een beslissing van verweerder op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

2.3. In het kader van artikel 3, tweede lid, van de Wuv pleegt verweerder tot met de vervolging vergelijkbare omstandigheden te rekenen de aanwezigheid van de betrokkene bij het onder excessief geweld wegvoeren van een ouder tijdens de Japanse bezetting dan wel het omkomen van een ouder als gevolg van vervolging tijdens de Japanse bezetting.

2.4. Verweerder heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het omkomen van de vader van appellante ten gevolge van zijn vervolging door de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië op zichzelf aangemerkt als een omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerder geweigerd om van zijn in artikel 3, tweede lid, van de Wuv gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat naar zijn oordeel bij appellante geen sprake is van enig(e), met die omstandigheid redelijkerwijs in verband te brengen ziekte of medisch gebrek.

2.5. Zoals de Raad al vaak in soortgelijke gedingen heeft uitgesproken, kan verweerder bij de beoordeling van op artikel 3, tweede lid, van de Wuv gebaseerde aanspraken in redelijkheid deze norm hanteren. Het geding spitst zich, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, dus toe op de vraag of verweerder op goede gronden tot zijn genoemd standpunt is gekomen. Die vraag beantwoordt de Raad op de hierna volgende gronden bevestigend.

2.6. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op een advies van zijn geneeskundig adviseur, ontleend aan de resultaten van een door de psychiater J.M. Betwee uitgevoerd onderzoek van appellante, waarbij van de huisarts van appellante verkregen informatie is betrokken. Hierbij is geconcludeerd, kort gezegd, dat er bij appellante sprake is van een ‘normaal’ verdriet om de dood van haar vader, maar dat een (causale) psychiatrische ziekte of gebrek niet aanwezig is.

2.7. De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. Noch in de voorhanden zijnde medische gegevens noch anderszins heeft de Raad voldoende grondslag kunnen vinden om de in dit advies neergelegde beschouwing en conclusie voor onjuist te houden. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat haar eigen oorlogservaringen betrokken hadden moeten worden bij de beoordeling, omdat deze ervaringen, hoe schokkend en traumatisch ook voor appellante, in het kader van een beoordeling of gelijkstelling met een vervolgde zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wuv, geen rol spelen.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD