Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
10-5880 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Als maatstaf arbeid gelden de aan appellante in het kader van de WAO voorgehouden functies. Geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de vastgestelde medische beperkingen onjuist zijn en dat de belastbaarheid van appellante is overschat. Bij de vraag of appellante in staat moet worden geacht de in aanmerking komende arbeid te verrichten, dient haar taak in de huishouding, waaronder begrepen de verzorging van haar zoontje, buiten beschouwing te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5880 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010, 09/182 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Groenewoud, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Groenewoud. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is werkzaam geweest als verkoopster in een juwelierszaak. Vanuit de situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft zij zich in augustus 2002 ziek gemeld wegens psychische klachten en rechterarmklachten. Nadat medisch en arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden, heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per einde wachttijd op 19 augustus 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Aan het desbetreffende besluit lag het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt was voor haar maatmanfunctie, maar met gangbare arbeid een dusdanig inkomen kon verwerven dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteerde. Aan appellante is vervolgens een uitkering op grond van de WW toegekend.

1.2. Van 4 januari 2007 tot 26 april 2007 heeft appellante vanwege haar zwangerschap en bevalling een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg ontvangen. Aansluitend aan haar bevallingsverlof heeft appellante zich ziek gemeld met pijnklachten als gevolg van een keizersnede alsmede met spanningsklachten als gevolg van de problematische gezondheidstoestand van haar zoontje. Op grond van deze ziekmelding heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Vervolgens heeft appellante diverse keren het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Tijdens het laatste spreekuurcontact van 22 oktober 2008 was de verzekeringsarts N. Posthuma-Langendonk van mening dat appellante met de voor haar geldende medische beperkingen in staat moet worden geacht haar “maatstaf” te verrichten. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het Uwv met ingang van 27 oktober 2008 de ZW-uitkering van appellante beëindigd.

1.3. Naar aanleiding van het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink op 14 november 2008 de beperkingen van appellant vastgelegd in de geactualiseerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een rapport uitgebracht. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante, gelet op haar medische beperkingen, mogelijk terecht geschikt is geacht om haar eerdere werk als verkoopster weer te verrichten en dat appellante in ieder geval geschikt is om de voorbeeldfuncties te verrichten die voor haar in de WAO-procedure waren geselecteerd. Zorgvuldigheidshalve heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Oosterveld op 24 november 2008 daartoe een rapport uitgebracht. Volgens deze bezwaararbeidsdeskundige dienen zowel appellantes eigen functie van verkoopster in een juwelierszaak als de haar destijds in de WAO-procedure voorgehouden functie van telefonist/receptionist (sbc 315120) passend te worden geacht. Bij besluit van

27 november 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het verrichte medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig was en de getrokken conclusies naar behoren gemotiveerd. Volgens de rechtbank gaf de door appellante in beroep ingebrachte medische informatie, waaronder inlichtingen uit de behandelende sector, geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functie van telefonist/receptionist op de datum 27 oktober 2008 voor haar geschikt kon worden geacht.

3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat en ten onrechte is voorbijgegaan aan de zwaar belaste thuissituatie ten gevolge van de gezondheidstoestand van haar zoontje. Appellante is van mening dat eerst de oorzaak van haar buikklachten moet worden gevonden voordat zij geschikt kan worden geacht om werkzaamheden te verrichten. Op die grond heeft zij de Raad verzocht om onderzoek door een onafhankelijk deskundige te laten verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante zich na ommekomst van haar bevallingsverlof heeft ziek gemeld per 26 april 2007. Gezien de hiervoor genoemde jurisprudentie en de onder 1.1 vermelde feiten en omstandigheden dient als maatstaf arbeid vanaf dat moment te gelden de aan appellante in het kader van de WAO voorgehouden functies. In dit geval moet daarom worden beoordeeld of appellante op 27 oktober 2008 al dan niet geschikt was voor één van de aan haar in het kader van de WAO voorgehouden functies, zijnde in dit geval de functie van telefonist/receptionist (sbc 315120).

4.3. De Raad deelt het standpunt van appellante niet dat bij de beoordeling van haar beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens de door hem op 14 november 2008 opgestelde FML appellante beperkt geacht ten aanzien van stof, rook, gassen en dampen in verband met haar astma. Voorts is appellante beperkt geacht ten aanzien van frequent reiken tijdens het werk, buigen, duwen of trekken, tillen of dragen, zware lasten hanteren tijdens het werk, gebogen en/of getordeerd actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn. De vaststelling van de beperkingen is geschied op grond van dossieronderzoek en bevindingen uit eigen onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de vastgestelde medische beperkingen onjuist zijn en dat de belastbaarheid van appellante is overschat. Het door appellante ingebrachte onderzoeksverslag van de gynaecoloog dr. A. Timmermans van 14 juni 2011 waarin is vermeld dat bij appellante sprake is van triggerpointpijn dan wel nerve-entrapment, maakt dat niet anders. Daartoe onderschrijft de Raad het rapport van meergenoemde bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van

12 juli 2011, zoals ter zitting is voorgelezen, inhoudende dat gelet op de voor appellante vastgestelde beperkingen in de FML van 14 november 2008 de bevindingen van dr. Timmermans geen consequenties hebben voor de belastbaarheid van appellante. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

4.4. Wat betreft het standpunt van appellante dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte is voorbijgegaan aan haar zwaar belaste thuissituatie, wijst de Raad op zijn bestendige jurisprudentie (zie onder meer LJN AR6405 en LJN ZB7539) waarin hij heeft bepaald dat bij de vraag of appellante in staat moet worden geacht de in aanmerking komende arbeid te verrichten, haar taak in de huishouding, waaronder begrepen de verzorging van haar zoontje, buiten beschouwing dient te blijven.

4.5. De Raad ziet derhalve onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante op 27 oktober 2008 niet in staat was de werkzaamheden, behorende bij de voor haar geselecteerde functie van telefonist/receptionist, te verrichten. Mitsdien heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per genoemde datum beëindigd.

5. Het in 4.1 tot en met 4.4 overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV