Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
10-5562 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Beleid. Appellant heeft aan geen van beide voorwaarden voor kwijtschelding voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5562 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 augustus 2010, 09/5113

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.M. Berendsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 januari 2003 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 5.675,71 bruto aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 1 januari 2002 tot 15 juli 2002 teruggevorderd. Deze terugvordering is gebaseerd op de vaststelling dat appellant gedurende voormelde periode, zonder daarvan mededeling te doen aan het Uwv, een volledige WW-uitkering heeft ontvangen terwijl hij werkzaam was bij [naam werkgever]. Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het Uwv bepaald dat appellant de vordering voldoet in termijnen van € 20,00 per maand.

1.2. Bij brief van 17 juni 2009 heeft appellant het Uwv verzocht om kwijtschelding van de restantvordering. Bij besluit van 3 juli 2009 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen omdat appellant nog niet meer dan de helft van de vordering had voldaan. Er stond op dat moment nog een bedrag van € 4.545,67 open. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 6 november 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juli 2009 ongegrond verklaard en heeft het Uwv dat besluit gehandhaafd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot het bestreden besluit dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. De rechtbank is dan ook niet toegekomen aan een beoordeling van de gronden van appellant die betrekking hebben op de terugvordering.

2.2. Met betrekking de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van appellant heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij zijn beoordeling aansluiting heeft gezocht bij het beleid, zoals neergelegd in de bijlage bij de Beleidsregel terug- en invordering. Op grond van dit beleid kan, bij een vordering die het gevolg is van overtreding van de inlichtingenplicht, van verdere terugvordering worden afgezien indien gedurende vijf jaar volledig aan de betalingsverplichting is voldaan en tenminste de helft van de vordering is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op basis van dit beleid het verzoek om kwijtschelding kunnen afwijzen, aangezien appellant niet heeft betwist dat hij niet aan beide voorwaarden heeft voldaan.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte heeft beperkt tot het besluit dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het standpunt van appellant dat er geen grondslag is voor terugvordering omdat er nooit een beslissing is genomen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 januari 2003 betreffende de terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt ten eerste vast dat ten tijde van het beroep tegen het bestreden besluit bij de rechtbank niet tevens een beroep aanhangig was tegen het (uitblijven van een) besluit op het bezwaar van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 6 januari 2003. Dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij nimmer een besluit op bezwaar heeft ontvangen, doet daar niet aan af. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot het besluit dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding, in het kader waarvan de gronden met betrekking tot de terugvordering terecht onbesproken zijn gebleven.

4.2.1. Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 van de WW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd.

4.2.2. Ingevolge artikel 36, tweede lid van de WW, kan het Uwv - voor zover hier van belang - in afwijking van het eerste lid besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.3. In de in overweging 2.2 genoemde Beleidsregel heeft het Uwv beleid geformuleerd over de hantering van zijn bevoegdheid om af te zien van verdere terugvordering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv bij zijn besluit op het verzoek om kwijtschelding van appellant aansluiting kon zoeken bij de in de Beleidsregel neergelegde criteria. Op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het Uwv dit beleid op juiste wijze heeft toegepast in het geval van appellant. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant aan geen van beide voorwaarden voor kwijtschelding heeft voldaan.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) R.L. Venneman.

EV