Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
09-6701 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6701 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 november 2009, 08/2843 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in het verleden gewerkt als betontimmerman maar is voor dit werk na een verkeersongeval in mei 1996 arbeidsongeschikt geworden. In 1997 is hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt verklaard. Appellant heeft van 28 april 2003 tot en met 19 december 2003 bij werkgever [naam werkgever] voltijds als timmerman van tuinhuisjes gewerkt. Aansluitend is aan appellant een werkloosheidsuitkering toegekend.

1.2. Appellant heeft vanaf 8 mei 2006 via een uitzendbureau twee dagen per week als monteur/bouwer van tuinhuisjes gewerkt; daarnaast ontving hij nog een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering. Hij heeft zich op 3 december 2007 bij het Uwv ziek gemeld wegens schouder- en nekklachten.

2.1. Bij besluit van 26 september 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

2.2. Bij besluit van 10 november 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht als appellants werk aangemerkt de combinatie van het laatstelijk door hem vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid op twee dagen per week verrichte werk als bouwer/monteur van tuinhuisjes met het voorheen bij werkgever [naam werkgever] verrichte werk. De rechtbank heeft voorts doorslaggevende betekenis toegekend aan de in het rapport van 7 november 2008 vervatte conclusies van de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer die naar het oordeel van de rechtbank in haar rapportage blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek en ook het in 2007 genomen WSW-indicatiebesluit bij haar beoordeling heeft betrokken.

4. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de combinatie van vorenbedoelde werkzaamheden niet als maatstaf arbeid kan worden genomen, zoals de rechtbank heeft gedaan, omdat hij nooit in die combinatie heeft gewerkt, maar dat het werk dat hij in het verleden in een volledige werkweek bij [naam werkgever] verrichtte als maatstaf moet worden beschouwd. Hij acht zich niet in staat het werk bij de [naam werkgever] fulltime te verrichten en is onder verwijzing naar de gestelde WSW-indicatie van mening dat een urenbeperking moet worden aangenomen.

5.1. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank en heeft daartoe het volgende overwogen.

5.2. De Raad stelt vast dat de ziekmelding van appellant een tweeledig karakter had. Appellant heeft zich op 2 december 2007 ziek gemeld zowel voor het werk dat hij tot dat moment op twee dagen per week verrichtte als vanuit de situatie waarin hij nog een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering ontving. Appellant heeft het laatstelijk voor de ziekmelding door hem verrichte werk vóór de datum in geding hervat en hij acht zich op die datum ook niet ongeschikt voor dat werk. Gegeven deze situatie ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of appellant op de datum in geding naast dit werk op twee dagen in de week ook nog in staat was op de resterende werkdagen van de week te werken als bouwer/monteur van vakantiehuisjes, welk werk hij feitelijk voor aanvang van zijn werkloosheid in december 2003 deed.

5.3. Voormelde vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad verwijst daartoe naar het rapport van 7 november 2008 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts. Daarin is uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat de beperkingen van appellant op de datum in geding niet zo ernstig waren dat hij buiten staat was het werk op twee dagen per week, dat lichter was dan het werk dat hij in 2003 deed, in een voltijdse werkweek te combineren met werk zoals bij [naam werkgever]. Daarbij is van belang dat de bezwaarverzekeringsarts heeft onderkend dat appellant bij dit laatste werk soms zwaar moest tillen en dat het werk bij [naam werkgever] deels uit lichtere prefabricage bestond. De Raad acht ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant niet verkeerde in een situatie waarin een duurbeperking vereist was, voldoende overtuigend. In navolging van de rechtbank stelt de Raad verder vast dat de bezwaarverzekeringsarts rekening heeft gehouden met de ten aanzien van appellant gestelde Indicatie Wet sociale werkvoorziening, en daarin op goede gronden geen reden heeft gezien ten aanzien van appellant meer beperkingen aan te nemen. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV