Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
09-4155 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt om eigen arbeid te verrichten. Juist beeld van de belasting verbonden aan de arbeid die appellante laatstelijk verrichtte. Beperkingen niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4155 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 juni 2009, 08/4324 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.J.C. Bueters, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld. Het hoger beroepschrift is bij schrijven van 21 september 2009 plus bijlagen, aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift plus bijlage ingediend.

Voormelde gemachtigde heeft bij schrijven van 2 december 2009 een brief van 12 november 2009 van DHL Exel Supply Chain (verder: DHL) omtrent de aldaar door appellante verrichte arbeid in het geding gebracht.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door middel van een brief van 8 december 2009 en een rapport van 7 december 2009 van B. Altena, bezwaararbeidsdeskundige.

Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2011 een rapport van 16 mei 2011 van G.H. de Haan, arbeidsdeskundige ingezonden.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door toezending van een rapport van 7 juni 2011 van

B. Altena voornoemd.

Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 15 juli 2011 enkele nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellante en haar gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was tot 10 april 2007 werkzaam als magazijnmedewerkster bij DHL. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving heeft zij zich per 7 december 2007 ziek gemeld met klachten inzake fibromyalgie en rug-, schouder-, en vingerklachten. Aan haar is terzake een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na haar ziekmelding is rapport uitgebracht door A.F. van Diemen, verzekeringsarts, laatstelijk op 3 en 23 juli 2008. Deze arts constateerde bij onderzoek atypische bewegingsbeperkingen en stelde vast dat er weliswaar sprake was van kromstand van de vingers maar tevens dat er bij handbewegingen ook sprake was van een volledige extensie. Hij achtte, nu sprake is van relatief licht werk appellante niet langer arbeidsongeschikt. Wat betreft appellantes arbeid heeft hij vermeld dat appellante aanvankelijk bij de medicijnengroothandel werkte op de retourafdeling waar zij terug gezonden medicijnen moest archiveren op de PC en moest terugplaatsen (waarbij af en toe zwaar tilwerk voorkwam), maar dat zij later, eind 2006, lichter, zittend werk had gekregen. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de ZW-uitkering per dezelfde datum wordt beëindigd omdat zij weer geschikt wordt geacht om haar arbeid te verrichten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij, evenals in bezwaar, met name aangevoerd dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Namens appellante is in hoger beroep herhaald dat zij meer beperkt is dan is aangenomen, met name door de fibromyalgie en de gewrichtsklachten aan handen en polsen. Hierbij heeft zij onder meer gewezen op de overgelegde verklaringen van H. Bootsma en H.A. Cats, reumatologen alsmede de verklaring van 10 december 2008 van A. Verrips, neuroloog. Tevens heeft zij gesteld dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de in aanmerking te nemen arbeid: zij was weliswaar overgeplaatst naar lichter werk, maar dit betrof het werk op de afdeling retour en schade, waarbij zij terug gezonden medicijnen moest administreren en terugplaatsen; daarbij was soms sprake van (zwaar) tilwerk, moest zij veel typen en traplopen en moesten sommige medicijnen in een koelcel worden geplaatst, waarbij zij te maken had met sterke temperatuurwisselingen.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad stelt voorop, dat volgens vaste rechtspraak de in een situatie als deze in aanmerking te nemen arbeid de arbeid is die laatstelijk voor het ontvangen van uitkering ingevolge de WW werd verricht. Daarbij wijst de Raad erop, dat zowel de verzekeringsarts Van Diemen voornoemd als de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick - kennelijk naar aanleiding van mededelingen van appellante - vermelden dat het ging om licht zittend werk (volgens de bezwaarverzekeringsarts met de mogelijkheid het zitten af te wisselen met staan), met name bestaande uit het opschonen van computerbestanden. De door appellante zelf in het geding gebrachte brief van DHL van 12 november 2009 vermeldt dat appellante eind 2006 na haar werk op de afdeling schade en retour en licht administratief werk heeft gekregen. Het rapport van de arbeidsdeskundige De Haan voornoemd dat uitgaat van het werk op de afdeling schade en retour moet dan ook buiten beschouwing blijven. De Raad heeft gelet op het vorenstaande geen reden om ervan uit te gaan dat de verzekeringsartsen geen juist beeld hadden van de belasting verbonden aan de arbeid die appellante laatstelijk verrichtte.

5.3. Met betrekking tot de door appellante gestelde medische beperkingen merkt de Raad op, dat in de verklaringen van de artsen Bootsma en Cats voornoemd wel de klachten van appellante en de diagnose(s) worden weergegeven, maar dat deze weinig informatie bevatten omtrent de ernst van de eventuele beperkingen en dat daaruit in elk geval niet blijkt dat die ernst door de artsen van het Uwv is onderschat. Daaruit en uit de overige medische gegevens blijkt evenmin dat appellante niet zou kunnen typen; overigens vermeldt ook het hoger beroepsschrift dat appellante slechts vingerklachten ondervindt bij langdurig typen. Ook de neuroloog Verrips voornoemd vermeldt in zijn eerdergenoemde brief dat de tastzin geheel intact is en de verzekeringsarts Van Diemen merkt in zijn rapport van 23 juli 2008 op, dat bij onderzoek de pengreep en de bol- en cilindergreep ongestoord bleken. Ook overigens zijn geen medische gegevens aanwezig waaruit blijkt dat het Uwv geen juist beeld had van de gezondheidssituatie van appellante. Het Uwv heeft appellante dan ook met recht op de datum in geding niet ongeschikt geacht voor de in aanmerking te nemen arbeid.

5.4. Uit hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

6. Voor een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK