Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
08-2575 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te herzien. De toegenomen arbeidsongeschiktheid komt niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor appellante uitkering ontvangt. Geen ‘Amber-situatie’. Weigering WAZ-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. In voldoende mate gemotiveerd dat appellante voor de maatgevende arbeid van re-integratiedeskundige geschikt te achten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2575 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 maart 2008, 07/2395 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante, heeft mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 4 augustus 2008 heeft mr. Ketelaars de Raad bericht niet langer op te treden als gemachtigde van appellante.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapport van een bezwaarverzekeringsarts is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door [B] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en partijen verzocht aan te geven of zij kunnen instemmen met mediation. Het Uwv heeft hiermee niet kunnen instemmen.

Het Uwv heeft bij brief van 17 juni 2009 vragen van de Raad beantwoord.

Op 14 oktober 2009 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Ingevolge de tijdens de comparitie gemaakte afspraak heeft appellante een tweetal vragen beantwoord. Appellante heeft voorts (medische) stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 september 2010, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Diebels, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1.1. Appellante is op 23 april 1998 met psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als re-integratiedeskundige in loondienst voor 32 uur per week. Het Uwv heeft appellante aansluitend aan de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk per 5 juli 2001 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante is ingaande 1 november 1998 werkzaamheden gaan verrichten als zelfstandig ergotherapeut/re-integratiedeskundige gedurende 16 uur per week. Zij heeft zich op 9 november 2003 ziek gemeld met vermoeidheidsklachten, gewrichtsklachten, chronische ontstekingen, allergieën en een schildklieraandoening.

1.1.2. Bij besluit van 22 december 2006 heeft het Uwv geweigerd appellante per 6 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen op de grond dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante tengevolge van aspecifieke buikklachten verminderd energetisch belastbaar is en beperkt is voor fysiek zware en buikdrukverhogende arbeid. De arbeidsdeskundige heeft appellante geschikt geacht voor de maatgevende arbeid van zelfstandig ergotherapeut/

re-integratiedeskundige alsmede voor de voor haar geselecteerde functies.

1.1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 16 februari 2007 geweigerd de WAO-uitkering van appellante met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken te herzien, omdat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid per 9 november 2003 is voortgekomen uit een andere ziekteoorzaak dan die welke tot toekenning van de uitkering heeft geleid.

1.1.4. Bij een ander besluit van 16 februari 2007 heeft het Uwv appellante in kennis gesteld dat geen uitspraak gedaan wordt over haar arbeidsongeschiktheid per 6 november 2004 en 25 januari 2007, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor appellante uitkering ontvangt.

1.2. Het Uwv heeft de bezwaren van appellante tegen de onder 1.1.1 tot en met 1.1.3 genoemde besluiten ongegrond verklaard bij besluit van 9 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit). Daarin is ten aanzien van het onder 1.1.3 genoemde besluit van 16 februari 2007 overwogen dat herziening van de WAO-uitkering niet aan de orde is omdat niet aannemelijk is dat de afname van de benutbare mogelijkheden in overwegende mate voortvloeit uit dezelfde ziekteoorzaak als de oorspronkelijke waarvoor in het verleden een WAO-uitkering werd toegekend en appellante niet verzekerd is voor de restcapaciteit.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de aanspraken van appellante op grond van de WAO heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat herziening van de WAO-uitkering op grond van de artikelen 37 en 39a van de WAO niet aan de orde is nu appellante bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toeneming van de arbeidsongeschiktheid per 9 november 2003, 6 november 2004 en 25 januari 2007 is voortgekomen uit een andere oorzaak dan de verzekerde psychische klachten.

2.3. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv de aanspraken van appellante op grond van de WAZ juist heeft beoordeeld. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellante dat het medisch onderzoek door het Uwv op een onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet voorts geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van dat medisch onderzoek. Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige de geschiktheid van appellante voor de maatgevende arbeid alsmede voor de voor haar geselecteerde functies genoegzaam heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - herhaald dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de toename van de arbeidsongeschiktheid per 9 november 2003, 6 november 2004 en 25 januari 2007 voorvloeit uit een andere oorzaak dan die waarvoor zij verzekerd is ingevolge de WAO. Naar de mening van appellante volgt uit de rapporten van verzekeringsarts H.A.J. Derix van 13 november 2000 en 6 augustus 2001 alsmede uit de besluiten van 8 augustus 2001 en 12 maart 2004, dat zij sedert 2001 WAO-uitkering ontvangt op grond van psychische en lichamelijke klachten, waaronder chronische ontstekingsklachten. De toename van haar arbeidsongeschiktheid vanwege chronische ontstekingsklachten, vermoeidheidsklachten, darmklachten, beperkingen aan stuit en bekken, alsmede (met schildklierproblematiek samenhangende) gewrichtsklachten en verminderde hartpompfunctie per genoemde data diende derhalve aanleiding te geven haar uitkering te verhogen. Aangaande de weigering haar een uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen per 6 november 2004 heeft appellante - kort gezegd - aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest, omdat het Uwv niet alle van behandelaars afkomstige informatie heeft betrokken bij zijn beoordeling. Voorts heeft het Uwv de ernst van haar medische beperkingen onderschat en onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom er geen indicatie is voor een duurbeperking. Appellante acht zich niet in staat de maatgevende arbeid te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt

4.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het Uwv de aanspraken van appellante op grond van de WAO en WAZ niet juist heeft vastgesteld.

4.2.1. In artikel 37 van de WAO is - kort samengevat en voor zover hier van belang - bepaald dat een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, niet plaatsvindt, indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend verzekerd is op grond van zijn WAO-uitkering en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

4.2.2. Nu appellante bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 9 november 2003, 6 november 2004 en 25 januari 2007 niet in dienstbetrekking werkzaam was, ontleent zij haar verzekering enkel aan artikel 7b van de WAO.

4.2.3. Uit het rapport van verzekeringsarts A.J. Hoffman van 17 mei 1999, dat ten grondslag ligt aan de toekenning van de WAO-uitkering, blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat de toekenning zijn grond vindt in een verminderde psychische belastbaarheid, er is sprake van een posttraumatische stressstoornis in remissie. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellante dat het Uwv de WAO-uitkering in 2001 mede gegrond heeft op haar lichamelijke klachten. Hiervoor bestaat gelet op de voorhanden zijnde verzekeringsgeneeskundige rapporten geen aanleiding. Derix heeft in zijn rapport van 6 augustus 2001 expliciet overwogen dat de toename van de arbeidsongeschiktheid per 2 februari 2001 ten gevolge van een ontstekingsproces geen ‘Amber-situatie’ betreft omdat het een andere aandoening betreft dan waarvoor appellante verzekerd is. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid per 9 november 2003, 6 november 2004 en 25 januari 2007 gelegen is in een andere ziekteoorzaak dan waarvoor uitkering wordt ontvangen. De Raad overweegt daartoe dat appellante geen toename van psychische beperkingen heeft geclaimd en de verzekeringartsen bij onderzoek naar de psyche geen relevante pathologie hebben waargenomen.

4.3.1. De Raad oordeelt voorts dat het Uwv op goede gronden geweigerd heeft appellante ingaande 6 november 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen. De Raad volgt niet het standpunt van appellante dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft zich voor zijn oordeelsvorming gebaseerd op dossieronderzoek, de afgenomen anamnese, eigen medisch onderzoek en telefonisch overleg met de huisarts, waarbij de bevindingen uit de behandelend sector zijn besproken. De bezwaarverzekeringsarts achtte zich op grond van de dossierstukken en de in bezwaar in geding gebrachte stukken, waarin in essentie geen nieuwe medische gegevens zijn aangedragen, voldoende toegelicht over de belastbaarheid van appellante en heeft om deze reden afgezien van het bijwonen van de hoorzitting en het verrichten van eigen onderzoek naar appellante. De verzekeringsartsen hebben de stukken van de niet-regulier erkende artsen, waaronder de arts J.C. van Montfoort, betrokken bij hun beoordeling. Dat aan deze stukken door de verzekeringsartsen niet de betekenis is toegekend die appellante daaraan wenst toe te kennen, doet niet af aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.

4.3.2. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellante heeft miskend. Behoudens een iets diffuus verdikte pancreas en lichte diverticulose van het colon heeft de verzekeringsarts geen medische objectivering kunnen vinden voor de klachten van appellante. De verzekeringsarts vermeldde in zijn rapport dat er geen aanwijzingen waren voor een schildklierdysfunctie noch voor psychopathologie, cardiale afwijkingen en een chronische darmziekte. Appellante werd vanwege aspecifieke buikklachten beperkt geacht voor fysiek zware/buikdrukverhogende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen vinden in het standpunt van de verzekeringsarts. De in beroep en hoger beroep overgelegde stukken hebben de bezwaarverzekeringsarts geen argumenten gegeven om een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de belastbaarheid van appellante, omdat daaruit - met betrekking tot de datum in geding - geen relevante nieuwe objectiveerbare medische gegevens naar voren kwamen. De Raad onderschrijft hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in haar rapporten van 4 april 2007, 25 juli 2007 en 6 augustus 2008 heeft overwogen. De Raad heeft in het in hoger beroep toegezonden rapport van de cardioloog prof. dr. S.R.B. Heymans van 29 juni 2010 geen aanwijzingen gevonden dat de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding op cardiaal gebied zou zijn miskend. De Raad overweegt daartoe dat de daarin beschreven medische situatie niet kenbaar ziet op de datum in geding. Uit een op 27 augustus 2004 gedateerde brief van cardioloog E.J.P. Lamfers blijkt dat er destijds structureel geen cardiale afwijkingen vastgesteld konden worden. Er was weliswaar sprake van een groot aantal ‘kamer extraslagen’, een en ander was echter geen indicatie voor behandeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 6 augustus 2008 voorts op een genoegzame wijze beargumenteerd waarom er geen indicatie is voor een duurbeperking.

4.3.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv in voldoende mate heeft gemotiveerd dat appellante voor de maatgevende arbeid van re-integratiedeskundige geschikt te achten is. De Raad verwijst daarvoor naar de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen.

4.4. Uit het hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW