Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
11-4230 WMO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Termijnoverschrijding bij betaling griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4230 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 mei 2011, 10/309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft W.F. OldeKalter hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Voorts heeft OldeKalter, voornoemd, namens verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.

In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.

Bij brief van 19 juli 2011 is de gemachtigde van verzoeker erop gewezen dat een griffierecht van € 112,-- is verschuldigd en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken dient te zijn voldaan.

Bij aangetekende brief van 2 augustus 2011 is de gemachtigde van verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien het griffierecht niet binnen de gestelde termijn per kas is voldaan of per bank is overgemaakt.

De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de termijn is betaald.

Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) G.M.T Berkel-Kikkert.

(get.) J. van Dam.

ew