Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
11-4729 AWBZ-VV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU4670, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Beëindiging van pgb. Verzoekster behoort niet tot de kring van verzekerden. Spoedeisend belang, aangezien door de beëindiging van het pgb de huur van de woning in Zwitserland niet meer kan worden betaald en huisuitzetting dreigt. Een herhaald verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek rechtvaardigen, waarvan hier geen sprake is. De vraag of aanleiding bestaat om een verzoek tot een prejudiciële beslissing voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening, maar dient bij de behandeling van het hoger beroep tegen de uitspraak te worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4729 AWBZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (Zwitserland) (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2011, 11/1854, 11/1856, 11/1857, 11/1858, 11/1939, 11/1940, 11/1941 en 11/1942 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

Zorgkantoor Noord-Oost Brabant, te Eindhoven (hierna: Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft haar vader, H. Tan, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 31 juli 2011 heeft H. Tan namens verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter leidt uit de gedingstukken af dat verzoekster verzoekt om zo spoedig als mogelijk een voorlopige voorziening te treffen. Verder heeft H. Tan medegedeeld geen mogelijkheid te zien om voor verzoekster bij een zitting aanwezig te zijn. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om op grond van artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak te doen zonder zitting.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoekster is gehandicapt en ontving sinds 12 maart 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van het bepaalde in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 14 april 2011 het pgb met ingang van 1 juni 2011 beëindigd.

2.2. Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het Zorgkantoor, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat verzoekster niet meer in Nederland woont en derhalve niet op grond van de AWBZ is verzekerd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het besluit van 16 juni 2011 met toepassing van artikel 8:86 van de Awb in stand gelaten, voor zover het gaat om de beëindiging van het pgb met ingang van 1 juni 2011.

4.1. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4.2. Bij uitspraak van 28 juli 2011 (LJN BR3555) heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van verzoekster van 8 juli 2011 om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft op grond van de stukken vastgesteld dat verzoekster sinds 9 augustus 2010 niet meer in Nederland woont en dat zij niet voornemens is naar Nederland terug te keren. Daaruit heeft de voorzieningenrechter afgeleid dat zij niet in Nederland, maar in Zwitserland woont. Nu voorts niet is gebleken dat zij binnen een jaar metterwoon naar Nederland is teruggekeerd, behoort zij niet tot de in artikel 5, aanhef en onder a, van de AWBZ bedoelde kring van verzekerden. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat op grond van de stellingen van verzoekster en de gedingstukken niet aannemelijk is geworden dat verzoekster verzekeringsrecht kan ontlenen aan het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, of dat zij ingevolge een verdragsbepaling of besluit van een volkenrechtelijke organisatie als verzekerde op grond van de AWBZ kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter is daarom tot het voorlopige oordeel gekomen dat verzoekster geen recht heeft op bij of krachtens de AWBZ verzekerde prestaties en mitsdien ook niet op een in artikel 2.6.4. van de Regeling subsidies AWBZ bedoeld pgb, zodat het Zorgkantoor het pgb op goede gronden met ingang van 1 juni 2011 heeft beëindigd. Omdat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure in stand kan blijven, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

4.3. Verzoekster heeft aan het verzoek van 31 juli 2011 onder andere ten grondslag gelegd dat de voorzieningenrechter bij de behandeling van het onder 4.2 vermelde verzoek om voorlopige voorziening ten onrechte heeft nagelaten een verzoek te doen aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Daarnaast heeft verzoekster gewezen op de website www.rijksoverheid.nl, waarin onder andere het volgende wordt vermeld:

“Pgb in het buitenland Op termijn kunt u niet meer in het buitenland wonen en een pgb ontvangen. Als u langer dan toegestaan in het buitenland verblijft, wordt het pgb ingetrokken.”

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. De voorzieningenrechter is, evenals in de uitspraak van 28 juli 2011, van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, gelet op de toelichting van verzoekster dat door de beëindiging van het pgb de huur van haar woning in Zwitserland niet meer kan worden betaald en huisuitzetting dreigt.

5.3. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Voor zover de beoordeling van het onderhavige verzoek meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening evenals het verzoek van 8 juli 2011 uitsluitend betrekking heeft op de beëindiging van de verlening van een pgb met ingang van 1 juni 2011. Het gaat derhalve om een herhaald verzoek na het verzoek om voorlopige voorziening van 8 juli 2011, waarop bij uitspraak van 28 juli 2011 is beslist. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 februari 2011, LJN BP3512, oordeelt de voorzieningenrechter dat een herhaald verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening slechts voor toewijzing in aanmerking kan komen, indien de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek rechtvaardigen. Blijkens die uitspraak dient dan sprake te zijn van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.

5.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet een situatie als bedoeld in rechtsoverweging 5.3 zich thans niet voor. De vraag of aanleiding bestaat om een verzoek tot een prejudiciële beslissing voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening, maar dient bij de behandeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van 5 juli 2011 te worden beantwoord. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat een spoedige behandeling van het geschil in de hoofdzaak wordt bevorderd. Met betrekking tot de mededeling op de website zoals onder 4.3 vermeld stelt de voorzieningenrechter vast dat het slechts gaat om informatie van een zeer algemeen karakter. Uit deze informatie is niet af te leiden dat het in de zaak van verzoekster bevoegde zorgkantoor bij de beoordeling van de aanspraak op een pgb geen betekenis moet toekennen aan het in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWBZ opgenomen vereiste van het zijn van ingezetene. Daarnaast is deze informatie niet verstrekt door het ter zake bevoegde zorgkantoor, maar door de rijksoverheid. Aan deze informatie kan verzoekster dan ook geen rechten ontlenen. Ook in hetgeen verzoekster overigens naar voren heeft gebracht is de voorzieningenrechter niet gebleken van ernstige onvolkomenheden in de uitspraak van 28 juli 2011 dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.

5.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

6. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. de Jong.

EW