Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10-2163 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding voor tandheelkundige vervolgbehandeling. Onvoldoende onderbouwing. Omtrent de nu ontstane gebitsproblemen en de oorzaak daarvan had nadere informatie moeten worden ingewonnen bij de behandelend tandarts van appellante, voordat op deze aanvraag werd beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2163 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Sociale verzekeringsbank, (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de -voormalige- Raadskamer WUBO van de PUR. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2010, kenmerk BZ 9173, JZ/U/80/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2011, waar appellante niet is verschenen en waar verweerder zich niet heeft laten vertegenwoordigen, zoals tevoren was gemeld.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren op [in] 1943 in Den Haag, is in 1989 erkend als

burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Zij heeft als baby van 13 maanden het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945 meegemaakt. Aanvaard is dat haar psychische klachten, onder meer bestaande uit angstaanvallen en nachtmerries, en haar gebitsklachten, ontstaan door tandenknarsen (bruxisme), in verband staan met deze oorlogservaring van appellante. In verband met de door het tandenknarsen ontstane gebitsproblemen zijn aan appellante sinds 2001 diverse vergoedingen voor gebitsrestauratie toegekend.

1.2. In 2005 heeft appellante verzocht om vergoeding van een behandelplan van haar behandelend tandarts, dat werd begroot op € 14.905,- in totaal. Dit plan hield in grote lijnen in een frameprothese steunend op kronen voor de bovenkaak en een overkappingsprothese rustend op vier implantaten voor de onderkaak. Hierop heeft de tandheelkundig adviseur van verweerder, M. Schächter, een tweede behandelplan laten opstellen, inhoudende een aantal kronen voor de boven- en onderkaak en twee frameprotheses die steunen op die kronen, hetgeen als een goede rehabilitatiemogelijkheid werd gezien. De kosten van dit tweede plan ten bedrage van

€ 10.227,- zijn vergoed.

1.3. In april 2009 heeft appellante aan verweerder verzocht om vergoeding van € 4.450,- voor het plaatsen van vier implantaten en € 90,- voor een extractie. De tandheelkundig adviseur van verweerder, M. Schächter, heeft op 3 juni 2009 als volgt geadviseerd: ” Betrokkene heeft op 8 maart 2006 een positieve beschikking ten behoeve van een vergoeding voor een éénmalige gebitsrehalbilitatie ontvangen. Deze is uitgevoerd en afbehandeld. Hiermede is voldaan aan deze beschikking. Tevens zijn bij betrokkene de tandheelkundige problemen die een gevolg zijn van haar bruxisme causaal aanvaard. Volgens het huidige beleid zouden nieuwe tandheelkundige problemen die een gevolg zijn van dit bruxisme wederom voor vergoeding in aanmerking komen. Echter mijn beoordeling van de ingediende vervolgaanvraag voor het plaatsen van de implantaten en de vergoeding van de gedeclareerde extractie is, dat deze niet een gevolg zijn van het causale bruxisme. Deze uit te voeren behandelingen komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Deze vervolgaanvraag dient derhalve te worden afgewezen.”Hierop is bij besluit van 9 juni 2009 aan appellante meegedeeld dat het gedeclareerde bedrag van € 4.450,- niet wordt vergoed.

1.4. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij, kort gezegd, niet begrijpt waarom deze behandeling nu niet wordt vergoed en de eerdere behandelingen wel. Appellante heeft aangevoerd dat volgens het tweede behandelplan kronen in plaats van implantaten in de onderkaak zijn geplaatst, tegen het advies van de behandelend tandarts in, die aangaf dat het weinig zin had om kronen te plaatsen. In het bovengebit heeft appellante implantaten gekregen die goed zijn aangeslagen en geen enkel probleem geven, maar de kronen die in het ondergebit zijn geplaatst zijn inmiddels allemaal afgebroken omdat er geen kaakbot is opgebouwd en er gebruik gemaakt moest worden van slechte wortels. Volgens de behandelend tandarts had beter direct gekozen kunnen worden voor implantaten in de onderkaak, waarmee de nu ontstane nieuwe gebitsproblemen en extra kosten zouden zijn voorkomen.

1.5. Hierop heeft de tandheelkundig adviseur M. Schächter geadviseerd dat destijds niet alleen vanwege de lagere kosten, maar ook vanwege het betere draagcomfort is gekozen voor het tweede behandelplan. In de vervolgaanvraag van 2009 worden vier andere implantaten voorgesteld dan in 2006, terwijl er niet wordt gesproken van verlies van de vier nu te behandelen elementen als gevolg van bruxisme. Deze adviseur handhaafde het eerder uitgebrachte advies, op welke grond verweerder het bezwaar ongegrond heeft verklaard bij het in dit geding bestreden besluit.

2. Appellante heeft in beroep aangegeven dat de verzochte behandeling absoluut noodzakelijk is en dat zij bereid is naar Nederland te komen voor onderzoek van haar gebit, dat de huidige problemen wel degelijk een gevolg zijn van haar bruxisme en de voorgestelde behandeling volgens haar behandelend tandarts de enige oplossing is die echt alle gebitsproblemen de eerste 15 jaar oplost.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In artikel 32 van de Wubo is - voor zover hier van belang - bepaald dat, indien het burger-oorlogsslachtoffer wegens zijn invaliditeit die het gevolg is van het letsel als bedoeld in artikel 2 van die wet, geneeskundige behandeling behoeft, de daaraan verbonden ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen, volledig worden vergoed.

4.2. Verweerder heeft de gevraagde vergoeding geweigerd op de grond dat geen sprake is van te behandelen gebitsklachten die zijn veroorzaakt door het bruxisme van appellante. De Raad acht dit standpunt op grond van de adviezen van de tandheelkundig adviseur M. Schächter onvoldoende onderbouwd. Ook als de behandeling volgens het behandelplan van 2005 toen adequaat is geweest, laat dit onverlet dat inmiddels mogelijk sprake kan zijn van versnelde slijtage van de op basis daarvan aangebrachte kronen door het bruxisme van appellante, waardoor opnieuw een behandeling noodzakelijk is. In elk geval had naar het oordeel van de Raad omtrent de nu ontstane gebitsproblemen en de oorzaak daarvan in dit geval nadere informatie moeten worden ingewonnen bij de behandelend tandarts van appellante, voordat op deze aanvraag werd beslist.

5. Gezien het vorenstaande wordt het beroep van appellante gegrond verklaard en komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. Van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2010;

Draagt verweerder op binnen drie maanden na deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD