Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10-5553 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De medische grondslag en het maatmanloon zijn niet aan de orde, omdat daarover reeds bij een onherroepelijk geworden eerdere uitspraak is beslist. De arbeidskundige grondslag is voldoende. Het Uwv heeft op juiste wijze uitvoering gegeven aan de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5553 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] te Duitsland (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2010, 09/5153 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 juli 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Beslissend op het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2008 zijn standpunt gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder is dan 35%.

1.2. Bij uitspraak van 7 augustus 2009 (08/4053) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 september 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft bij die uitspraak overwogen geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Ook heeft de rechtbank de gronden van appellant, voor zover gericht tegen het maatmanloon, verworpen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voldoende inzichtelijk is hoe het maatmanloon van appellant is vastgesteld. Met betrekking tot de geschiktheid van de functies heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) voor appellant geschikt is voor zover bij in die functie 90 graden zou moeten buigen.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2009 heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2009 (bestreden besluit) zijn standpunt gehandhaafd dat appellant geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering. Dit standpunt is gebaseerd op een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige Habets van 25 september 2009.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij bij haar uitspraak van 7 augustus 2009 de tegen de medische grondslag van het besluit van

1 september 2008 en de ten aanzien van het maatmanloon aangevoerde beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld heeft de rechtbank zich onthouden van een oordeel omtrent de beroepsgronden van appellant voor zover die gericht zijn tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en tegen het maatmanloon, omdat daarover reeds bij onherroepelijk geworden uitspraak is beslist. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep zich beperkt tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van de nieuwe, door het Uwv binnen de SBC-code van wikkelaar samensteller elektronische apparatuur geduide functies voldoende is gemotiveerd dat deze functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zijn de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van dat de rechtbank dat in de uitspraak van 7 augustus 2009 alle beroepsgronden gericht tegen de medische beoordeling, het maatmanloon en de geschiktheid van de binnen de SBC-codes productiemedewerker (111180) en textielproductenmaker (111160) geselecteerde functies zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, in zoverre van de juistheid van de medische beoordeling moet worden uitgegaan. De hiertegen van de zijde van appellant wederom aangevoerde gronden kunnen nu dan ook niet meer ter beoordeling staan.

4.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige blijkens zijn rapportage van 25 september 2009 de in eerste instantie aan de schatting ten grondslag gelegde functie binnen de SBC-code wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (functienummer 3821-0007-002) laten vervallen. Vervolgens heeft hij binnen dezelfde SBC-code twee nieuwe functies (functienummers 3621-0051-014 en 3621-0051-001) geduid. De bezwaararbeidsdeskundige heeft uiteengezet waarom deze functies voor appellant passend zijn. De Raad onderschrijft de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering en is van oordeel dat de belasting in de genoemde functies blijft binnen de belastbaarheid van appellant zoals vastgelegd in de FML van 11 april 2007.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2009. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Bij deze uitkomst is er voor de gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK