Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10-4412 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering erkenning als vervolgde en WUV-uitkering. Appellante is zelf niet vervolgd, ook niet in de periode tot de bevrijding van heel Nederland in mei 1945. De Wuv is verder in 1994 gesloten voor de tweede generatie, zodat appellant evenmin op grond van de door haar ervaren opvoedingsproblemen aanspraken aan die wet kan ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4412 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], hierna: appellante,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 mei 2010, kenmerk BZ 48855, JZ/W60/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2011. Appellante is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1945 in Nijmegen, heeft in mei 2009 aan verweerder verzocht om erkenning als vervolgde en om een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv. Hierop is bij besluit van 17 november 2009 afwijzend beslist, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellantes moeder was Joodse en haar vader was katholiek. De grootouders van appellante aan moederskant zijn in 1943 via Westerbork op transport gesteld naar Sobibor en daar omgebracht. Er zijn ook veel andere familieleden van de moeder van appellante omgebracht. In 1943 is de moeder van appellante geïnterneerd geweest in kamp Amersfoort en daarvan na een kort verblijf van twee dagen teruggekeerd. De rest van de oorlogsperiode heeft appellantes moeder doorgebracht bij haar schoonouders.

2.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat appellante geen vervolging heeft ondergaan, omdat op het moment dat zij werd geboren haar geboorteplaats Nijmegen al was bevrijd van de Duitse bezetting. Toetsing van de tweede generatieproblematiek is sinds de wetswijziging van juli 1994 niet meer mogelijk.

2.3. Appellante heeft naar voren gebracht dat zij zich wel degelijk slachtoffer voelt van de Tweede Wereldoorlog. Zij wijst op de levensangst van haar moeder die tijdens de zwangerschap overdraagbaar is op de ongeboren baby. Appellante vindt dat de periode tijdens de zwangerschap moet meetellen. Haar opvoeding is sterk beïnvloed door de traumatische oorlogservaringen van haar moeder en zij lijdt daardoor al vanaf haar jeugd aan spanningsklachten en is erg wantrouwend naar anderen toe.

2.4. De Raad kan verweerder volgen in het onder 2.2 weergegeven standpunt. Appellante is zelf niet vervolgd, ook niet in de periode tot de bevrijding van heel Nederland in mei 1945. De Wuv is verder in 1994 gesloten voor de tweede generatie, zodat appellant evenmin op grond van de door haar ervaren opvoedingsproblemen aanspraken aan die wet kan ontlenen.

3. Gezien het vorenstaande moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

NK