Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10/2005 WWB + 10/2006 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Geen juiste opgave gedaan over de verrichte werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Geen deugdelijke administratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2005 WWB

10/2006 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 februari 2010, 09/51 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Daatselaar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.X. Pouwels, werkzaam bij de gemeente Hoogeveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 19 januari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een drietal anonieme telefonische meldingen heeft het Opsporingssamenwerkingsverband Sociale Recherche Zuid-Drenthe & Noordwest-Overijssel een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Bij dat onderzoek zijn waarnemingen gedaan en zijn vervolgens in de periode van 27 november 2007 tot en met 15 januari 2008 stelselmatige observaties verricht, zijn getuigenverklaringen opgenomen en zijn appellanten gehoord. Verder is de woning van appellanten doorzocht, waarbij administratieve bescheiden in beslag zijn genomen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 18 april 2008.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 9 april 2008 de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 19 januari 2006 tot en met 31 januari 2008 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 44.293,02 bruto van hen teruggevorderd. Bij besluit van 25 november 2008 heeft het College, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2008 in zoverre gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering is vastgesteld op 1 februari 2007 en het teruggevorderde bedrag is bepaald op € 18.418,68 bruto. Aan de intrekking en terugvordering over de periode 1 februari 2007 tot en met

31 januari 2008 heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten geen juiste opgave hebben gedaan over de door hen verrichte werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben, samengevat, aangevoerd dat zij uitdrukkelijk met de bijstandsconsulente hebben gesproken over het verrichten van hand- en spandiensten, zodat de inlichtingenverplichting niet is geschonden. Verder is de aanvangsdatum van de intrekking en terugvordering willekeurig gekozen. Volgens appellanten zou een eventuele intrekking moeten ingaan op het moment waarop met de stelselmatige observaties van appellanten is begonnen, derhalve per eind november 2007.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Uit het onderzoeksrapport komt naar voren dat appellanten diverse op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht in de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 januari 2008. Het gaat daarbij onder meer om in- en verkoop van keuken- en horeca-apparatuur en de verkoop van roestvrijstale spullen. Voorts blijkt dat appellanten diverse aankopen hebben gedaan ten behoeve van het bedrijf van hun dochter. Niet in geschil is dat deze dochter op 1 februari 2007 een bedrijf heeft opgericht met de naam [naam bedrijf].

4.3. De Raad stelt vast dat de bijstandsconsulente in het kader van het onderzoek is gehoord en expliciet heeft verklaard dat zij appellant geen toestemming heeft gegeven tot het verlenen van hand- en spandiensten voor zijn dochter of voor haar bedrijf met behoud van de bijstandsuitkering. Appellanten hebben geen documenten overgelegd waaruit de onjuistheid van deze verklaring blijkt. De Raad ziet derhalve geen basis voor de stelling van appellanten dat zij hun werkzaamheden hebben gemeld aan de bijstandsconsulente. Daarmee hebben appellanten in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting gehandeld.

4.4. Nu appellanten van deze werkzaamheden geen deugdelijke administratie hebben bijgehouden, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat vanwege de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, zij nog recht op bijstand hebben over de in geding zijnde periode.

4.5. De Raad ziet geen grond voor de stelling dat de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering willekeurig is gekozen. Daartoe verwijst de Raad naar de verklaringen van getuigen en de handgeschreven in- en verkoopnotities die in het onderzoeksrapport zijn opgenomen. Hieruit blijkt onder meer dat reeds in februari 2007 sprake is geweest van aan- en verkoop door appellanten van diverse goederen. Opmerking verdient daarbij nog dat het bedrijf van de dochter van appellanten op 1 februari 2007 is opgericht.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD