Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10/1043 WAO + 10/3615 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Per latere datum ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering op basis van indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. De Raad heeft een deskundige geraadpleegd. Aan de Raad is niet kunnen blijken van genoegzame objectief-medische aanknopingspunten om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat de verzekeringsartsen van het Uwv de voor geldende beperkingen hebben onderschat. Daarvan uitgaande, bestaan ten slotte geen aanknopingspunten om de bij beide schattingen in aanmerking genomen functies niet haalbaar te achten voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1043 WAO en 10/3615 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, 08/9012 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 26 mei 2010, 09/6144 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de hierna als achtereenvolgens geding 1 en geding 2 aan te duiden gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep aangevoerd door haar partner [naam partner], die zich als haar gemachtigde heeft gesteld.

Bij beroepschrift van 24 juni 2010, ondertekend door appellante en [naam partner], is tevens hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellante is gereageerd op het in geding 1 ingezonden verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting in geding 1 heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2010, door een enkelvoudige kamer van de Raad. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam partner], voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door

A.W.G. Determan.

Bij schrijven van 18 augustus 2010 heeft de Raad, van oordeel zijnde dat het onderzoek niet volledig is geweest, partijen meegedeeld dat het onderzoek in geding 1 wordt heropend.

Namens appellante zijn enkele reacties ingezonden, onder meer naar aanleiding van het door de Raad aan partijen gezonden proces-verbaal van de zitting.

Het Uwv heeft gereageerd naar aanleiding van namens appellante ter zitting overgelegde nieuwe medische informatie.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak in geding 1 verwezen naar een meervoudige kamer.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft psychiater dr. E. van Duijn, in samenwerking met drs. M.M. de Wolf, arts in opleiding tot psychiater, bij rapport van 9 februari 2011 op verzoek van de Raad als deskundige over appellante gerapporteerd. De deskundige heeft daarbij desgevraagd tevens over appellante gerapporteerd in geding 2.

Beide partijen hebben een reactie op het deskundigenrapport ingezonden. Bij de reactie van het Uwv was gevoegd een rapport, gedateerd 21 februari 2011, van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal.

Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Desgevraagd heeft deskundige Van Duijn bij aanvullend rapport van 22 april 2011 commentaar geleverd op het rapport van Admiraal.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars standpunten gereageerd en het eigen standpunt nader toegelicht.

Beide gedingen zijn gevoegd en - wat betreft geding 1: opnieuw - behandeld ter zitting van de Raad op 15 juli 2011. Appellante is andermaal in persoon verschenen, bijgestaan door [naam partner]. Het Uwv was vertegenwoordigd door

drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in mei 1987 na een auto-ongeval met onder meer pijnklachten aan benen en knieën uitgevallen voor haar voltijdse werkzaamheden als medewerkster bij een bank. Ingaande 18 mei 1988 is zij in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 3 november 1995, dat in een daartegen ingestelde procedure in beroep en in hoger beroep in stand is gebleven, is de WAO-uitkering van appellante per 1 augustus 1995 herzien naar de klasse 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van op bezwaar van 27 augustus 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante vanaf 30 augustus 2005 onveranderd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In een uitspraak van 3 juni 2009 (LJN BI7386) heeft de Raad zich met de zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van dat besluit kunnen verenigen. Wat betreft de medische grondslag had appellante zich in het bijzonder op het standpunt gesteld dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen op psychisch gebied had aangenomen, ter onderbouwing van welke opvatting zij verklaringen van haar behandelend psychiater R.W. Jessurun van 27 juli 2007 en 14 april 2009 had overgelegd. De Raad heeft overwogen de reactie op die verklaringen van de bezwaarverzekeringsarts, als vervat in diens rapport van 20 april 2009, te kunnen onderschrijven. In die reactie was onder meer aangegeven dat er bijna twee jaren zijn gelegen tussen de in geding zijnde datum 30 augustus 2005 en het eerste contact tussen appellante en Jessurun.

2.1. Bij besluit van 29 november 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 februari 2007 herzien naar de klasse 25 tot 35%.

2.2. Bij besluit van 18 november 2008, hierna: bestreden besluit 1, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van

29 november 2007 ongegrond verklaard.

2.3. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ongewijzigd vastgesteld op basis van indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

2.4. Bij besluit van 13 augustus 2009, hierna: bestreden besluit 2, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van

30 maart 2009 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1.1. Wat betreft de lichamelijke klachten van appellante heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat informatie van de behandelend neuroloog Van Woerkom van 23 februari 2007, waarin sprake is van forse degeneratieve afwijkingen van de cervikale wervelkolom en een carpaal tunnelsyndroom, door de (bezwaar)verzekeringsarts is meegewogen. De aangehaalde informatie van de behandelende sector betreffende de diagnose fybromyalgie biedt volgens de rechtbank, anders dan appellante heeft betoogd, geen aanknopingspunten voor de stelling dat sprake is van meer of ernstiger beperkingen dan de verzekeringsartsen hebben vastgesteld.

3.1.2. Wat betreft de psychische klachten van appellante heeft de rechtbank overwogen dat bij eigen onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv geen aanwijzingen zijn gevonden voor een invaliderend of relevant beperkend psychiatrisch ziektebeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat door de bezwaarverzekeringsarts afdoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het oordeel van Jessurun en van de behandelende psycholoog M. Mileusnic.

3.1.3. De rechtbank heeft zich ten slotte ook kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.2.1. De rechtbank heeft het onderzoek door de verzekeringsartsen als zorgvuldig aangemerkt en heeft zich kunnen verenigen met de conclusie van die artsen dat de beperkingen van appellante, ook al ervaart zij zelf een toename van haar klachten, niet zijn toegenomen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de rapporten van Jessurun van 14 april 2009 en van 14 juli 2009 niet tot een ander oordeel leiden. In dit verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Jessurun had aangegeven dat appellante op 14 juli 2009 in ontredderde toestand op zijn praktijk was verschenen, maar dat volgens informatie van de bezwaarverzekeringsarts appellante kort daarna, ten tijde van onderzoek op 22 juli 2009, er veel beter aan toe was. Mede gelet hierop heeft de rechtbank overwogen dat bedoelde informatie van Jessurun geen reden geeft te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid, nog ervan afgezien dat die informatie van latere datum is dan de in geding zijnde datum. Ook heeft de rechtbank nog laten wegen dat in de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde functionele mogelijkheden lijst (FML) meer beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren zijn vastgelegd dan in de FML die ten grondslag is gelegd aan bestreden besluit 1.

3.2.2. Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

4.1. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante haar opvatting betreffende de bij haar bestaande klachten en beperkingen, zowel op lichamelijk als op psychisch gebied, staande gehouden. Met betrekking tot haar psychische problematiek heeft appellante gewezen op informatie van haar behandelaars Jessurun en Mileusnic. Volgens een schrijven van 27 juni 2006 van Mileusnic zijn bij appellante klachten geconstateerd die wijzen op een depressieve stoornis, chronisch, matig tot ernstig, met vitale kenmerken, en op een paniekstoornis met agorafobie. In een brief van Jessurun van 27 juli 2007 wordt geconcludeerd tot een depressieve stoornis, recidiverend, ernstig, zonder psychotische kenmerken, een paniekstoornis met agorafobie en een pijnstoornis gebonden aan zowel psychische factoren als een somatische aandoening. Volgens Jessurun is appellante door haar toestand dusdanig in haar functioneren beperkt dat zij als volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd, komt in overwegende mate overeen met de tegen aangevallen uitspraak 1 naar voren gebrachte gronden. Appellante wijst onder meer op haar lichamelijke klachten en persisterende pijnklachten als gevolg van de fibromyalgie alsmede, onder verwijzing naar informatie vanuit de behandelende sector, op haar psychische klachten als gevolg van de bij haar geconstateerde depressieve stoornis.

5.1. De Raad heeft, mede gelet op hetgeen door appellante is aangevoerd over haar psychische klachten, als in samenvatting weergegeven onder 4.1 en 4.2, aanleiding gevonden een onafhankelijk psychiatrische deskundige te raadplegen. In zijn in rubriek I vermelde rapport van 9 februari 2011, heeft psychiater Van Duijn als deskundige verslag gedaan van zijn onderzoeksbevindingen en conclusies, en de hem gestelde vragen beantwoord betreffende de voor appellante geldende beperkingen op de in geding zijnde data 22 februari 2007 en 4 december 2008. Van Duijn heeft de hem voorgelegde vragen voor beide data in geding hetzelfde beantwoord, van oordeel zijnde dat op beide data dezelfde diagnoses en - ook naar aard en mate daarvan - dezelfde beperkingen aan de orde zijn.

5.2. Naar het oordeel van de deskundige vormen de pijn- en vermoeidheidssymptomen van appellante de kern van haar problematiek. Voor zover het gaat om de lichamelijk verklaarbare klachten van appellante, hebben de verzekeringsartsen volgens Van Dijn een juiste inschatting gemaakt van haar beperkingen.

5.3. Daarnaast zijn er echter nog veel lichamelijke klachten, in het bijzonder pijn- en vermoeidheidsklachten, waarvoor geen duidelijke lichamelijke oorzaak valt aan te wijzen, in het kader waarvan door reumatologen de diagnose fibromyalgie is gesteld. Vanuit psychiatrisch oogpunt zouden deze klachten volgens de deskundige met hetzelfde recht als ongedifferentieerde somatoforme stoornis kunnen worden aangeduid.

5.4. Met betrekking tot de (overige) psychopathologie heeft Van Duijn zich kunnen verenigen met de opvatting van de verzekeringsartsen dat er onvoldoende criteria zijn om te kunnen spreken van een depressie in engere zin. Ook worden door Van Dijn onvoldoende criteria gezien voor de diagnose paniekstoornis. De deskundige geeft aan dat en waarom vraagtekens dienen te worden geplaatst bij de door Jessurun gestelde diagnose ernstige depressieve stoornis. Hetzelfde geldt voor de door Mileusnic vermelde diagnose. De deskundige geeft op basis van de bevindingen bij eigen onderzoek aan dat de indruk bestaat dat appellante - en dit geldt ook voor haar partner - de klachten soms aggraveert en dat het opvallend is dat er, behoudens lichte concentratiestoornissen en een licht sombere stemming tijdens de gesprekken, nauwelijks iets van appellantes psychische klachten en beperkingen merkbaar is.

5.5. In DSM-IV-termen vallen volgens de deskundige de psychische klachten van appellante te classificeren als een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken.

5.6. Ten aanzien van de vraag of hij zich kan verenigen met de in de FML vastgelegde beperkingen, geeft de deskundige ten slotte aan dat voldoende rekening is gehouden met de objectiveerbare lichamelijke beperkingen, maar dat de concentratiestoornissen en de beperkte mogelijkheden van appellante om activiteiten vol te houden, als gevolg van in het bijzonder haar fibromyalgie dan wel ongedifferentieerde somatoforme stoornis, ten onrechte niet zijn meegewogen.

6.1. De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak het oordeel van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige in beginsel dient te worden gevolgd, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel.

6.2. De Raad is van oordeel dat, in het licht van evenvermelde regel, de deskundige Van Duijn dient te worden gevolgd in de conclusies waartoe hij in zijn rapport is gekomen ten aanzien van de benaming van de psychische problematiek van appellante en de ernst daarvan. In dat rapport wordt door Van Duijn overtuigend uiteengezet dat en waarom appellante niet kan worden gevolgd in haar eigen, door haar behandelaars Jessurun en Mileusnic gesteunde, opvatting inzake de ernst van haar psychische problematiek ten tijde hier van belang en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van arbeid. De Raad begrijpt de beantwoording door de deskundige van de hem voorgelegde vragen aldus dat hij, bezien vanuit zijn eigen vakgebied, appellante op beide data in geding op zich in staat acht tot het verrichten van loonvormende arbeid, zij het met inachtneming van een tweetal - hierna onder 6.4 te bespreken - beperkingen.

6.3. Voor zover daarom appellante in hoger beroep staande houdt dat zij in verband met haar depressieve stoornis en paniekstoornis ernstiger beperkt is dan vanwege het Uwv is aangenomen, aldus dat zij in het geheel niet meer in staat is in loonvormende arbeid werkzaam te zijn, kan zij daarin tegen de achtergrond van het oordeel van deskundige Van Duijn, als in samenvatting weergegeven onder 6.2, niet worden gevolgd.

6.4. Op grond van het volgende kan de deskundige echter niet worden gevolgd in zijn, in reactie op commentaar van de bezwaarverzekeringsarts in een aanvullend rapport van 22 april 2011 gehandhaafde, zienswijze dat aanleiding bestaat om in aanvulling op de door de verzekeringsartsen van het Uwv van toepassing geachte beperkingen, ook een (lichte) beperking aan te nemen op het aspect concentratie alsmede een beperking betreffende de omvang van te verrichten arbeid.

6.5. De Raad overweegt in dit verband, naar ook de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven in zijn reactie van 21 februari 2011 op het deskundigenrapport alsmede in zijn nadere reactie van 10 mei 2011 naar aanleiding van het aanvullende deskundigenrapport van 22 april 2011, dat de deskundige de door hem aangewezen urenbeperking (uitsluitend) baseert op de bij appellante vastgestelde fibromyalgie dan wel ongedifferentieerde somatoforme stoornis, daarbij tevens belang toekennend aan ervaringen bij een recent door appellante gevolgde dagbehandeling bij PsyQ.

6.6. Volgens vaste rechtspraak - de Raad wijst bij wijze van voorbeeld op zijn uitspraken van 30 januari 2007, LJN AZ7854 en 25 september 2009, LJN BJ9654 - kan echter de enkele diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis - en voor de daaraan verwante diagnose fibromyalgie geldt hetzelfde - niet leiden tot het aannemen van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Gelet op deze rechtspraak en gezien voorts het geheel van de over appellante beschikbare medische gegevens, is aan de Raad niet kunnen blijken van een toereikende objectief-medische onderbouwing voor het stellen van een urenbeperking. Daarbij heeft de Raad nog in aanmerking genomen dat de door de deskundige bij zijn oordeelsvorming op dit punt van belang geachte ervaringen bij een door appellante gevolgde recente dagbehandeling - welke ervaringen uitwijzen dat appellante die behandeling wegens gestelde vermoeidheidsklachten slechts beperkt heeft kunnen volhouden - niet kunnen gelden als een toereikende objectief-medische onderbouwing in vorenbedoelde zin.

6.7. Evenmin volgt de Raad deskundige Van Duijn in diens visie betreffende het in de FML opnemen van een lichte beperking op het aspect concentratie. De Raad kan zich vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts terzake, als vervat in het rapport van 21 februari 2011. De reactie houdt - kort gezegd - in dat bij de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken op 15 oktober 2008, in januari 2009 en op 22 juli 2009 een adequaat geheugen, aandacht en concentratie zijn waargenomen zonder verval gedurende het persoonlijk contact. De Raad ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de deskundige op blz. 5 van het rapport van 9 februari 2011 vermelde aanwijzingen voor lichte concentratiestoornissen, wat daar verder van zij, reeds actueel waren op de beide data in geding.

6.8. Uit het overwogene onder 6.1 tot en met 6.7 volgt dat aan de Raad niet is kunnen blijken van genoegzame objectief-medische aanknopingspunten om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat de verzekeringsartsen van het Uwv de voor haar op 22 april 2007 en 4 december 2008 geldende beperkingen hebben onderschat. Daarvan uitgaande, bestaan ten slotte geen aanknopingspunten om de bij beide schattingen in aanmerking genomen functies niet haalbaar te achten voor appellante.

6.9. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EV