Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
09-1756 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WAO-uitkering. Op verzoek van de Raad heeft een deskundige gerapporteerd. Genoegzaam is komen vast te staan dat de beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid in de FML niet juist zijn weergegeven. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op de gebreken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1756 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 februari 2009, 08/1087 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na behandeling van het geding ter enkelvoudige zitting van 24 maart 2010 heeft de Raad het onderzoek heropend.

Vervolgens heeft de Raad de cardioloog H.C. Klomps als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Nadat hij appellant had onderzocht, heeft hij op 2 juli 2010 rapport uitgebracht. Op dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts

J. Jonker gereageerd met een rapport van 14 juli 2010.

Nadat het geding op de enkelvoudige zitting van 24 september 2010 wederom was behandeld, heeft de Raad het onderzoek nogmaals heropend en bij brief van 7 oktober 2010 de deskundige Klomps nog een aantal vragen voorgelegd. In een rapport van 15 december 2010 heeft deskundige Klomps hierop gereageerd, waarna nog een reactie van

21 december 2010 van bezwaarverzekeringsarts Jonker bij de Raad is binnengekomen.

Na verwijzing door de enkelvoudige kamer van de Raad naar een meervoudige kamer heeft het onderzoek ter zitting opnieuw plaatsgevonden op 15 juli 2011. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. M.F.E. Sprenkels, kantoorgenoot van mr. Reijnders. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1961, is sanitairgieter bij [naam bedrijf] geweest. Nadat hij op 16 januari 1991 was uitgevallen wegens knie- en elleboogklachten is hem met ingang van 28 november 1992 een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vervolgens is hij andere werkzaamheden bij [naam bedrijf] gaan verrichten. In 2002 is het dienstverband van appellant met [naam bedrijf] beëindigd. Op 19 mei 2005 heeft appellant, terwijl hij naast zijn WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanwege vermoeidheidsklachten, flauwvallen en nachtzweten.

2. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellant onderzocht door de verzekeringsarts P.E.J. Verstraelen. Tevens heeft deze verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant. In zijn rapport van 21 maart 2007 heeft hij vastgesteld dat er bij appellant, behalve de aan het slot van overweging 1 vermelde klachten, nog steeds sprake is van knie- en elleboogklachten. Na ontvangst van uitgebreide medische informatie van de huisarts heeft de verzekeringsarts in een nader rapport van 4 juni 2007 geconcludeerd dat appellant is aangewezen op niet stresserende, knie en elleboogsparende werkzaamheden en heeft hij op eveneens 4 juni 2007 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige J.A.R. Huijnen in zijn rapport van 31 augustus 2007 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van sanitairgieter maar nog wel geschikt is voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25 tot 35%. In overeenstemming met de bevindingen van deze arbeidskundige heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 november 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

3.1. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij om die reden de geselecteerde functies niet kan uitoefenen.

3.2. Nadat bezwaarverzekeringsarts Jonker informatie had opgevraagd bij de behandelend internist en orthopedisch chirurg en appellant eveneens had onderzocht, heeft zij in haar rapport van 4 april 2008 te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. De bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris heeft in zijn rapport van 27 mei 2008 de geschiktheid van de geselecteerde functies nader gemotiveerd. Voorts heeft hij, nadat hij de reductiefactor had gecorrigeerd, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op eveneens 25 tot 35%. Bij besluit van

29 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

4.1. In beroep heeft appellant, ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, informatie ingebracht van de behandelend cardioloog en een rapport d.d. 28 juni 2008 van de bedrijfsarts/verzekeringsgeneeskundige drs. P.M.J. Swerts. Daarop heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker gereageerd in haar rapport van 10 september 2008 waarbij zij te kennen heeft gegeven dat deze informatie geen aanleiding vormt haar eerder ingenomen standpunt te herzien.

4.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

5. Onder herhaling van zijn eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden heeft appellant in hoger beroep benadrukt dat niet, dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit zijn vermoeidheid en nachtzweten.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De deskundige Klomps is in zijn rapport van 2 juli 2010 tot de conclusie gekomen dat appellant ten tijde van zijn onderzoek op 16 juni 2010 een normale hartfunctie had en dat er sprake was van een normaal ergometrisch onderzoek, behoudens het gegeven dat hij bij inspanningen geen bloeddruk- en polsstijgingen had. Deze neurovegetatieve stoornis zou kunnen leiden tot verminderde inspanningstolerantie. Met betrekking tot de datum in geding heeft hij vastgesteld dat er bij appellant sprake was van duizeligheidsklachten en omvalneigingen en dat op dat moment de belastbaarheid van appellant ook reeds in ongunstige zin kon zijn beïnvloed doordat bij inspanning sprake was van lage polsfrequenties en slechte of nauwelijks aanwezige bloeddrukopbouw. In dit rapport heeft hij te kennen gegeven dat, wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellant, het verrichten van eenvoudige zittende administratieve taken geen belemmering voor hem behoeft te vormen. In reactie op het rapport van 14 juli 2010 van de bezwaarverzekeringsarts Jonker, waarin zij te kennen had gegeven dat het werk in alle voor appellant geselecteerde functies licht van aard is, heeft de deskundige Klomps in zijn nadere rapport van 15 december 2010 nogmaals laten weten dat het autonome zenuwstelsel van appellant niet werkt zoals dat hoort. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij zich niet kan verenigen met de (lichte) beperkingen zoals die door het Uwv zijn opgenomen onder de items 4.19 en 5.4 van de FML. In tegenstelling tot hetgeen onder deze items is vermeld acht hij appellant vanwege zijn klachten niet in staat om zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) te lopen of te staan.

6.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuurechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze regel is aangewezen. Gezien de door de deskundige Klomps uitgebrachte rapporten van 2 juli 2010 en 15 december 2010 heeft de Raad geen aanleiding gevonden het oordeel van deze deskundige niet te volgen. De Raad is van oordeel dat het onderzoek van deze deskundige zorgvuldig is geweest en dat hij in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat appellant als gevolg van zijn neurovegetatieve stoornis meer beperkingen heeft dan in de items 4.19 en 5.4 van de FML is opgenomen. Het door Jonker in haar rapport van 21 december 2010 ingenomen standpunt dat de deskundige op grond van de knieklachten van appellant - naar de mening van Jonker zou de deskundige daarmee buiten zijn vakgebied zijn getreden - tot meer beperkingen op voormelde items is gekomen, onderschrijft de Raad niet.

6.4. Op grond van de overwegingen 6.2 en 6.3 is de Raad van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid in de FML van 4 juni 2007 niet juist zijn weergegeven. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daardoor tevens niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

6.5. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

6.6. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de door de Raad in 6.4 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe dient het Uwv de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage met betrekking tot de vraag of een en ander gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, in het bijzonder wat betreft de belasting in de geduide functies inzake lopen en staan, dan wel dient het Uwv een nader besluit te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR