Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
08-2767 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldigheidsgebrek na tussenuitspraak hersteld. De belastbaarheid van appellante is correct weergegeven in de FML. Toereikend gemotiveerd waarom appellante ondanks haar medische beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de door de bezwaararbeidskundige gehandhaafde geduide functies. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2767 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 april 2008, 06/4304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 mei 2010 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak).

Vervolgens heeft het Uwv de Raad bij brief van 13 juli 2010 een rapport van 9 juli 2010 doen toekomen van senior-bezwaarverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel.

Hierop heeft appellante haar standpunt nader uiteengezet bij brief van 3 september 2010. Daarbij is een reactie op het rapport van Boel van fysiotherapeut H.J. Fraanje van 28 juli 2010 overgelegd en een rapportage van Cesar-oefentherapeut A. Berende van 11 augustus 2010.

Bij brief van 28 september 2010 heeft het Uwv een rapport van Boel van 24 september 2010 overgelegd, waarin deze ingaat op de inhoud van de brief van appellante van 3 september 2010 en de bijlagen daarbij.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 17 februari 2006 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, herzien en - op basis van een theoretische schatting - met ingang van 22 februari 2006 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.2. Het door appellante tegen het besluit van 17 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juli 2006 (hierna: besluit op bezwaar) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden met de stelling dat de rechtbank ten onrechte het standpunt heeft verworpen dat artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden met de stelling dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar niet zorgvuldig is uitgevoerd, aangezien het primaire medisch onderzoek is verricht door een verzekeringsarts in opleiding en de bezwaarverzekeringsarts dat gebrek niet heeft hersteld met een toereikend eigen onderzoek.

4.2. Hierover heeft de Raad in zijn tussenuitspraak het volgende overwogen:

“4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 in het onderhavige geval wel heeft geleid tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellante, maar niet tot schending van artikel 1 van het EP. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561).

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het besluit op bezwaar ten grondslag ligt niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Het primaire medisch onderzoek is verricht door een arts die destijds niet was geregistreerd als verzekeringsarts, en dit gebrek is in de bezwaarfase niet hersteld, aangezien de bezwaarverzekeringsarts naast het dossieronderzoek dat hij heeft verricht, uitsluitend de huisarts van appellante heeft bevraagd en noch uit de reactie van de huisarts daarop noch anderszins is gebleken dat nader medisch onderzoek geen toegevoegde waarde kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is daarom geen sprake geweest van een toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging.

4.3. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het in 4.2 aangeduide gebrek te herstellen. Daarbij geldt dat appellante ten minste nader moet worden onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts.

4.4. De Raad geeft appellante in overweging om indien zij beschikt of kan beschikken over objectieve medische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat haar medische arbeidsbeperkingen op de datum in geding door het Uwv zijn onderschat, deze gegevens zo spoedig mogelijk aan het Uwv en de Raad te doen toekomen.”

4.3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv nader medisch onderzoek laten verrichten door senior-bezwaarverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel. Deze heeft in zijn rapport van 9 juli 2010 aangegeven dat hij zich kan vinden in de weergave van de belastbaarheid van appellante per 22 februari 2006 in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 juli 2006, zoals deze is vastgesteld door bezwaarverzekeringsarts L. Greveling.

4.4. Appellante heeft bij brief van 3 september 2010 allereerst enige opmerkingen gemaakt over het verloop van het spreekuuronderzoek van Boel. Vervolgens heeft zij uiteengezet hoe zij haar gezondheidsklachten ervaart. Daarbij heeft appellante aangegeven dat haar gezondheidsklachten niet kunnen worden begrepen zonder ze in onderling verband te zien en te beschouwen over een langere periode; door de medische beoordeling toe te spitsen op de datum in geding, 22 februari 2006, miskent het Uwv in de optiek van appellante het chronische en recidiverende karakter van haar gezondheidsklachten. Meer specifiek heeft appellante bij brief van 3 september 2010 gesteld dat het door schouder- en nekklachten voor haar niet mogelijk is om de normaalwaarden te bereiken die zij volgens de FML van 5 juli 2006 wél zou moeten kunnen bereiken. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellante stukken overgelegd van fysiotherapeut H. Fraanje en Cesar-oefentherapeut A. Berende. Verder heeft appellante gesteld dat het Uwv haar geheugen- en concentratieproblemen en haar psychische beperkingen onderschat en is beargumenteerd betoogd dat het rapport van Boel onvolledig is, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, voorbijgaat aan ter zake geldende protocollen, en onvoldoende gemotiveerd is. Tot slot is aangegeven dat indien de Raad zijn oordeel baseert op het rapport van Boel zonder de daartegen ingebrachte bezwaren in aanmerking te nemen, dit een schending oplevert van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, aangezien Boel geen onpartijdige deskundige is, maar een deskundige die werkt in opdracht van het Uwv.

4.5. In zijn rapport van 24 september 2010 is Boel ingegaan op de inhoud van de brief van appellante van 3 september 2010 en de daarbij overgelegde stukken en heeft hij geconcludeerd dat er geen grond is om zijn eerdere beoordeling te wijzigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De rapporten van senior-bezwaarverzekeringsarts Boel van 9 juli 2010 en 24 september 2010 berusten op dossieronderzoek, eigen spreekuuronderzoek, bestudering van medische inlichtingen van de behandelaars van appellante en weging van de argumenten van appellante. Gelezen in samenhang met het rapport van bezwaarverzekeringsarts Greveling van 5 juli 2006, die de FML in de bezwaarfase nog enigszins heeft aangescherpt, geven de rapporten van Boel naar het oordeel van de Raad blijk van een - alles bij elkaar genomen - toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging. Verder ziet de Raad geen grond om nog te twijfelen aan de uitkomst van die heroverweging, nu ook na de tussenuitspraak van de Raad niet aannemelijk is geworden dat in de FML van 5 juli 2006 de ernst en de omvang is onderschat van de arbeidsbeperkingen van appellante die het rechtstreekse en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek.

5.2. Met betrekking tot de brief van appellante van 3 september 2010 overweegt de Raad allereerst dat, gegeven het in artikel 18 van de WAO neergelegde wettelijk kader, de eigen beleving van appellante van haar gezondheidsklachten niet maatgevend is voor de bepaling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Verder overweegt de Raad dat uit het feit dat de beoordeling van het Uwv is toegespitst op de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, niet zonder meer kan worden afgeleid dat het Uwv het chronische en recidiverende karakter van de gezondheidsklachten van appellante en de samenhang tussen die klachten miskent en dat daarvan ook overigens niet is gebleken. De Raad merkt daarbij nog op dat de wettelijke regeling voorziet in een mogelijkheid van verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid met dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na een herziening. Aan de door appellante overgelegde stukken van fysiotherapeut Fraanje en Cesar-oefentherapeut Berende kent de Raad niet het door appellante gewenste gewicht toe. In dit verband overweegt de Raad dat het stuk van de appellante behandelende fysiotherapeut Fraanje geen nadere objectieve medische gegevens bevat die aannemelijk maken dat de medische arbeidsbeperkingen van appellante op de datum in geding in de FML van 5 juli 2006 zijn onderschat; het bestaat uit een beschouwing die voor een belangrijk deel ziet op de niet tot de deskundigheid van een fysiotherapeut behorende specifieke verzekeringsgeneeskundige aspecten van een schatting zoals die ten grondslag is gelegd aan het besluit op bezwaar. Ten aanzien van de rapportage van Cesar-oefentherapeut Berende van 11 augustus 2010 overweegt de Raad dat appellante eerst vanaf mei 2010, wegens hyperventilatieklachten, bij haar in behandeling is en dat ook de rapportage van Berende niet aannemelijk maakt dat de in aanmerking te nemen beperkingen van appellante op de datum in geding in de FML van 5 juli 2006 zijn onderschat. Met het hiervoor overwogene heeft de Raad de zijdens appellante tegen het rapport van Boel ingebrachte bezwaren in aanmerking genomen. Dat dit niet leidt tot een voor appellante gunstig oordeel doet daar niet aan af. Er is dus geen reden om in te gaan op appellantes stelling dat indien de Raad zijn oordeel baseert op het rapport van Boel zonder de daartegen ingebrachte bezwaren in aanmerking te nemen, dit een schending oplevert van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.3. Op grond van het voorgaande neemt de Raad aan dat het in overweging 4.2 van de tussenuitspraak benoemde zorgvuldigheidsgebrek door het Uwv is hersteld en dat de belastbaarheid van appellante per 22 februari 2006 correct is weergegeven in de FML van 5 juli 2006.

5.4. Met betrekking tot arbeidskundige onderbouwing van het besluit op bezwaar heeft appellante in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv door middel van de ingebrachte rapportages toereikend heeft gemotiveerd waarom appellante ondanks haar medische beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de door de bezwaararbeidskundige gehandhaafde geduide functies.

6. In de tussenuitspraak heeft de Raad reeds geoordeeld dat aan het besluit op bezwaar geen toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging is voorafgegaan. Dit betekent dat het besluit op bezwaar moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder volgt hieruit dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit op bezwaar ten onrechte in stand is gelaten, vernietigd moet worden. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder punt 5.2 tot en met 5.4, zal de Raad het geschil tussen partijen definitief beslechten door de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

7.1. Bij brief van 14 mei 2010 heeft appellante de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

7.2. Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 23 maart 2006 van het eerste bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 23 maart 2006 tot het besluit van 17 juli 2006 bijna vier maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 23 augustus 2006 tot de uitspraak op 3 april 2008 een jaar en bijna acht maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 14 mei 2008 tot deze uitspraak drie jaar en ruim drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

7.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,- aan haar vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 11/4616 Beslu ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK