Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
09-4358 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op bijstand over de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008. Appellante heeft met haar verblijf in Marokko langer dan vier weken in het buitenland verbleven. Artikel 8 van het EVRM treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4358 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2009, 09/1215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 juli 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 29 mei 2008 heeft appellante het College toestemming verzocht om met behoud van uitkering voor de periode van 26 juni 2008 tot en met 24 juli 2008 in het buitenland te verblijven. Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het College deze toestemming verleend tot 24 juli 2008. Tevens is appellante meegedeeld dat de bijstand over 24 juli 2008 niet aan haar wordt uitbetaald.

1.2. Op 8 december 2008 heeft appellante aan het College gemeld dat zij van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 - vanwege het overlijden van haar moeder op 23 november 2008 - in het buitenland (Marokko) heeft verbleven. Bij besluit van 28 januari 2009 heeft het College aan appellante meegedeeld dat zij over de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 geen recht heeft op bijstand. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat zij langer dan de maximaal toegestane vakantieduur (per kalenderjaar) in het buitenland heeft verbleven.

1.3. Bij besluit van 4 maart 2009 heeft het College het tegen het besluit van 28 januari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 maart 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het College was met de slechte gezondheidstoestand van appellante bekend en had derhalve kunnen voorzien dat zij zou worden ontheven van de op haar rustende sollicitatieplicht. Daarom had haar op grond van artikel 13, vierde lid, van de WWB een verblijf in het buitenland voor langer dan vier weken moeten worden toegestaan. Appellante verwijst daarbij naar het besluit van 17 februari 2009, waarin wegens haar medische situatie tot 12 november 2009 ontheffing is verleend van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van de WWB. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Appellante kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen doel treft. Ook zou het College geen zorgvuldig onderzoek hebben gedaan naar van belang zijnde feiten en omstandigheden en zou er geen sprake zijn van een evenredige belangenafweging.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid , aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. Artikel 13, vierde lid, van de WWB bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, voor personen van 57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie op grond van artikel 9, tweede lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, alsmede voor personen van 65 jaar of ouder, een periode van dertien weken geldt.

4.2. Artikel 16, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van deze paragraaf bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.3. Niet in geschil is dat aan appellante over de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 geen ontheffing was verleend van alle in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen, zodat appellante niet een persoon is als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de WWB. Het College was derhalve niet bevoegd om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB een langer verblijf buiten Nederland toe te staan dan de in dat artikel genoemde termijn van vier weken. De stelling dat het College in de slechte gezondheidstoestand van appellante aanleiding had moeten zien om een langer verblijf toe te staan, kan de Raad niet volgen. In dit verband merkt de Raad op dat het College aan appellante eerst bij besluit van 17 februari 2009 en bovendien slechts voor een deel van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen ontheffing heeft verleend .

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante met haar verblijf in Marokko in de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB geen recht had op bijstand.

4.5. De omstandigheden die door appellante zijn aangevoerd, hebben het College voorts terecht geen aanleiding gegeven om toepassing te geven aan artikel 16, eerste lid, van de WWB. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is van zeer dringende redenen slechts sprake indien zich een acute noodsituatie voordoet en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Dergelijke omstandigheden heeft appellante niet gesteld en/of met objectieve gegevens onderbouwd.

4.6. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt niet zo ver strekt dat het College verplicht was appellante financieel in staat te stellen om de uitoefening van het recht op gezinsleven mogelijk te maken gedurende de tijd dat zij - vanwege het overlijden van haar moeder - in Marokko heeft verbleven. Hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.7. De beroepsgrond dat het College onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, is door appellante niet nader gemotiveerd of onderbouwd, zodat deze grond geen doel treft. Het beroep van appellante op de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging kan niet slagen, nu daarvoor bij de toepassing van een dwingend rechtelijke bepaling als artikel 13, eerste lid, van de WWB geen plaats is.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C. Nijholt.

HD