Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5902

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
10-411 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. De stelling dat het College geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het verblijf van appellante in Marokko verband hield met het overlijden van haar moeder, mist feitelijke grondslag. Het College heeft in deze omstandigheid immers aanleiding gezien om van brutering van de terugvordering af te zien. Voor het verdergaand afzien van terugvordering van de bijstand bieden deze omstandigheden geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/411 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 09/3404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 juli 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 januari 2009 heeft het College aan appellante meegedeeld dat zij over de periode van

23 november 2008 tot en met 7 december 2008 geen recht heeft op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Aan dit besluit ligt ten grondslag dat zij langer dan de maximaal toegestane vakantieduur (per kalenderjaar) in het buitenland heeft verbleven. Het bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2009 heeft het College bij besluit van 4 maart 2009 ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van 4 maart 2009 ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij de uitspraak van de rechtbank van 28 juli 2009. Bij uitspraak van heden, nummer 09/4358 WWB, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.

1.2. Bij besluit van 28 april 2009 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 855,64 (bruto). Bij besluit van 12 juni 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2009 gegrond verklaard met dien verstande dat de terugvordering nader is vastgesteld op een bedrag van € 481,32 (netto). Daarbij is door het College vastgesteld dat het netto bedrag van de terugvordering niet correct was berekend. Ook heeft het College in de omstandigheden van appellante aanleiding gezien om van bruto terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het College had moeten afzien van terugvordering. Daarbij heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat het College geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het verblijf van appellante in Marokko verband hield met het overlijden van haar moeder.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hetgeen onder 1.2 is overwogen betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de aan appellante over de periode van 23 november 2008 tot en met 7 december 2008 verleende bijstand van haar terug te vorderen.

4.2. Volgens de Beleidsregels Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam kan van terugvordering worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen is sprake indien terugvordering ernstige of onaanvaardbare gevolgen heeft voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van belanghebbende. Dergelijke omstandigheden heeft appellante niet gesteld en/of met objectieve gegevens onderbouwd.

4.3. De stelling dat het College geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het verblijf van appellante in Marokko verband hield met het overlijden van haar moeder, mist feitelijke grondslag. Het College heeft in deze omstandigheid immers aanleiding gezien om van brutering van de terugvordering af te zien. Voor het verdergaand afzien van terugvordering van de bijstand bieden deze omstandigheden geen grond. De Raad merkt nog op dat een dringende reden als hier bedoeld alleen gelegen kan zijn in de gevolgen die een terugvordering voor appellante heeft en niet in de oorzaak die de terugvordering tot gevolg heeft gehad.

4.4. Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 16, eerste lid, van de WWB verwijst de Raad naar de ter zake relevante overwegingen in zijn tussen partijen gewezen uitspraak van heden in de zaak 09/4358 WWB.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C. Nijholt.

HD