Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
11/1542 APPA-VV + 11/1555 APPA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat het college niet (opnieuw) op het bezwaar heeft beslist en de daarvoor geldende termijn, mede als gevolg van de ontstane impasse over het instellen van het nader medische onderzoek, is overschreden. De Raad zal daarom het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de uitspraak gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De voorzieningenrechter zal hierbij het college opdragen binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1542 APPA-VV

11/1555 APPA

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker)

In verband met het beroep van:

verzoeker

in het geding tussen

verzoeker

en

het College van Burgermeester en Wethouders van de gemeente Rheden (hierna: college),

Datum uitspraak: 25 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft beroep ingesteld.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.C. Balke, advocaat te Zwolle, en R.V. Mekking, werkzaam bij de gemeente Rheden.

In afwachting van de ter zitting in vooruitzicht gestelde nadere berichtgeving heeft de voorzieningenrechter het doen van een uitspraak opgeschort.

Vervolgens hebben partijen (onderscheidenlijk) bij brieven van 11 juli 2011, 15 juli 2011, 21 juli 2011, 27 juli 2011 en 31 juli 2011 gereageerd.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 13 januari 2007 is aan verzoeker ontslag verleend als wethouder van de gemeente Rheden en is aan hem op grond van artikel 133 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) een uitkering toegekend voor de duur van twee jaren.

1.2. In mei 2008 heeft verzoeker verzocht om verlenging van de uitkering met toepassing van artikel 133a van de Appa. Dat verzoek heeft het college afgewezen, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 augustus 2009 op de grond dat er bij verzoeker geen sprake is van algemene invaliditeit in de zin van de Appa. In beroep heeft de Raad bij uitspraak van 9 december 2010, nummer 06/5167 APPA, geoordeeld - kort gezegd - dat het besluit van 7 augustus 2009 berust op een ontoereikende medische grondslag. Vervolgens heeft de Raad dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar moet nemen.

1.4. Het ingestelde beroep is gericht tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen en het college op te dragen een nieuw besluit te nemen, onder oplegging van een dwangsom voor de tijd dat het college in gebreke is.

2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van de Beroepswet kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook in het kader van een (fictieve) weigering om te beslissen kan een voorlopige voorziening worden getroffen. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 17 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de behandeling van de hoofdzaak tevens onmiddellijk uitspraak doen in die hoofdzaak.

2.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval een nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en zal tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.3. Ter uitvoering van de onder 1.2 genoemde uitspraak acht het college het aangewezen een nader medisch onderzoek te laten uitvoeren onder regie van het Medisch Advies Loket (MAL). Verzoeker wil echter om hem moverende redenen geen medewerking aan dat onderzoek verlenen en stelt zich op het standpunt dat er een (onafhankelijke) commissie van drie medici moet worden aangesteld, waarvoor elke partij een medicus aanwijst. De derde medicus zou dan in overeenstemming met beide partijen moeten worden benoemd.

2.4. Bij de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderhavige verzoek hoofdzakelijk is bedoeld om het college er (rechtens) toe te bewegen een commissie als voornoemd in te stellen.

2.5. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond tot het treffen van een dergelijke voorziening. Zo heeft verzoeker de voorzieningenrechter niet tot de overtuiging kunnen brengen dat op voorhand al het door het MAL te verrichten onderzoek als onzorgvuldig moet worden bestempeld of dat anderszins de belangen van verzoeker door het MAL onvoldoende in de beoordeling worden betrokken. Zo dient het MAL rekening te houden met de medische informatie uit de behandelende sector. Verder staat het verzoeker vrij zelf verklaringen in te brengen van door hem geraadpleegde specialisten. Ook zal verzoeker nog in de gelegenheid worden gesteld zijn visie op het rapport te geven. Verzoeker zal dan ook thans alle medewerking dienen te verlenen aan het door het MAL in te stellen onderzoek. Wel ziet de voorzieningenrechter nog aanleiding duidelijk te vermelden dat, zoals ook ter zitting aan de orde is geweest, bij het onderzoek centraal moet staan de (mate van) algemene invaliditeit van verzoeker op 13 januari 2009. Verwezen wordt in dat verband naar het bepaalde in artikel 133a van de Appa.

2.6. Met betrekking tot het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ter uitvoering van de onder 1.2. genoemde uitspraak wordt als volgt overwogen

2.7. Vaststaat dat het college niet (opnieuw) op het bezwaar heeft beslist en de daarvoor geldende termijn, mede als gevolg van de ontstane impasse over het instellen van het nader medische onderzoek, is overschreden. De Raad zal daarom het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de onder 1.2 genoemde uitspraak gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De voorzieningenrechter zal hierbij het college opdragen binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.

2.8. Met betrekking tot het verzoek om de (hoogte) van de verbeurde dwangsom te bepalen stelt de voorzieningenrechter vast dat het college op grond van artikel 4:18, eerste lid van de Awb het maximale bedrag van € 1260,- aan verzoeker heeft toegezegd, zodat de voorzieningenrechter een overweging daartoe in deze uitspraak achterwege te laat.

3. De voorzieningenrechter acht tot slot termen aanwezig om het college te veroordelen in de reiskosten van verzoeker, welke worden begroot op € 21,10.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Draagt het college op om binnen vier maanden na de verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van verzoeker te nemen;

Veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 21,10;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. van Dam.

EW