Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10-4071 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Arbeidsongeschiktheid is ontstaan uit dezelfde oorzaak als waarvoor appellante in het verleden een WAO-uitkering heeft ontvangen. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig of het arbeidskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapportages inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische of arbeidskundige beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4071 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/3166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit appellante per 29 maart 2007 geen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft zijn besluit gebaseerd op de overweging dat appellante per 29 maart 2007 weliswaar gedurende vier weken arbeidsongeschikt is geweest, dat deze arbeidsongeschiktheid is ontstaan uit dezelfde oorzaak als waarvoor appellante in het verleden een WAO-uitkering heeft ontvangen, maar dat appellante aansluitend op deze vier weken minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.2. Het Uwv heeft zijn besluit van 3 augustus 2009 doen steunen op de resultaten van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat het verzekeringsgeneeskundig of arbeidskundig onderzoek niet op deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden, dan wel heeft geleid tot onjuiste resultaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zijn besluit van 3 augustus 2009 kunnen baseren op de resultaten van de in 1.2 bedoelde onderzoeken.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het wettelijk kader waarbinnen in beroep de beoordeling van het besluit van 3 augustus 2009 dient plaats te vinden geschetst.

2.3.Voorts heeft de rechtbank weergegeven waaruit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft bestaan en welke beroepsgronden er ter zake van de medische grondslag van het besluit van 3 augustus 2009 door appellante zijn ingediend.

2.4. Voorts heeft de rechtbank uiteengezet waaruit het arbeidskundig onderzoek heeft bestaan en welke beroepsgronden ter zake van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 3 augustus 2009 door appellante zijn ingediend.

2.5. De rechtbank heeft vervolgens de beroepsgronden van appellante besproken en uiteengezet waarom deze gronden geen doel treffen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank vermeld in 2 bestreden. Naar haar mening dient de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en haar beroep alsnog gegrond te verklaren.

3.2. Appellante heeft in haar hoger beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat haar beroep geen doel treft.

Zij wenst, naar zij heeft gesteld, de onderhavige kwestie in haar geheel aan de Raad voor te leggen. Naar haar opvatting is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd en is het besluit van 3 augustus 2009 op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen.

Naar de mening van appellante is zij meer beperkt dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen en is zij niet in staat de functies waarvoor zij geschikt wordt geacht te vervullen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. Aan rapportages van onderzoeken bedoeld in 1.2 komt, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, een bijzondere waarde toe in die zin dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren.

Dit betekent geenszins dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wel aan betrokkene om aan te voeren dat de rapportages niet aan voormelde eisen voldoen, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is.

Voorts zal betrokkene zijn standpunten dienen te onderbouwen.

Hierbij geldt dat een betrokkene, of zijn niet medisch geschoolde gemachtigde, de juistheid van zijn standpunten die betrekking hebben op de wijze van het tot stand komen van de rapportages en de consistentie en concludentie van de rapportages zelf aannemelijk kunnen maken door op gebreken ter zake te wijzen.

Voor het twijfel zaaien over de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling inhoudelijk onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk.

De Raad wijst op zijn uitspraken van 17 december 2004, LJN AR8889, 13 juli 2005,

LJN AT9828 en 10 januari 2007, LJN AZ6138.

4.2.2. De Raad begrijpt de niet onderbouwde stellingen van appellante als weergegeven in 3.2 zo dat appellante van opvatting is dat de rechtbank op basis van de door appellante in beroep naar voren gebrachte gronden tot een ander en voor haar gunstiger oordeel had dienen te komen.

De Raad volgt appellante hier niet in.

4.2.3. De rechtbank heeft de door appellante in beroep naar voren gebrachte gronden tegen de achtergrond van hetgeen is vermeld in 4.2.1 met juistheid besproken. Ook naar het oordeel van de Raad bevatten deze gronden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig of het arbeidskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapportages inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische of arbeidskundige beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel. De Raad verwijst daarnaar.

5.1. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.2.3. volgt dat de rechtbank met juistheid tot het in 2.1 bedoelde oordeel is gekomen. Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011

(get.) J. Brand.

(get.) R.L. Venneman.

TM