Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10-4547 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbreken van rechtsmiddelenverwijzing. Verschoonbare termijnoverschrijding. Besluit. Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4547 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2010, 09/4206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant zijn bij besluit van 20 maart 1990 met ingang van 29 juni 1981 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij dit besluit is voorts met ingang van

17 mei 1988 de AAW-uitkering ingetrokken en de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij besluit van 29 december 1997 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv afwijzend beslist op een verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 20 maart 1990. Het bezwaar tegen het besluit van 29 december 1997 is ongegrond verklaard. Bij een uitspraak van 28 februari 2001 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit op dit bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bij zijn uitspraak van 18 oktober 2002 bevestigd. De Raad heeft in zijn uitspraak geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd om feiten en omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

1.3. Appellant heeft bij brief van 12 oktober 2006 het Uwv verzocht om herziening van zijn uitkering over de periode van 1988 tot 2006. Het Uwv heeft bij brief van 12 december 2007 meegedeeld dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist zou zijn vastgesteld.

1.4. In een brief van 25 juni 2009 heeft appellant meegedeeld dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het niet tijdig reageren op zijn verzoek van 12 oktober 2006. Bij besluit van 25 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de brief van 25 juni 2009 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de brief van 12 december 2007. Daarbij is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen ongegrond verklaard en bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar ten onrechte (mede) gericht heeft geacht tegen de brief van

12 december 2007. Deze brief is in de visie van de rechtbank een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het bezwaar aangemerkt als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 12 oktober 2006. Het Uwv had het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit ongegrond moeten verklaren.

3. Appellant vindt dat hij alsnog met ingang van 1988 recht heeft op uitkeringen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant stelt dat het Uwv ten onrechte niet op zijn verzoek heeft geantwoord. De brief van 12 december 2007 is, naar hij heeft gesteld, geen besluit. Hij vindt dat een (inhoudelijke) herbeoordeling moet plaatsvinden. Appellant stelt dat er medische gegevens zijn waarmee het Uwv niets heeft gedaan.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad hebben de rechtbank en het Uwv de brief van 12 december 2007 terecht als besluit aangemerkt. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarbij is van belang dat de brief een reactie is op het verzoek van appellant om de uitkering te herzien. In de brief is uitdrukkelijk vermeld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft genoemd die aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid. De omstandigheid dat in de brief van 12 december 2007 niet is vermeld dat belanghebbenden daartegen bezwaar kunnen maken, maakt dit niet anders.

4.2. De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat het Uwv de brief van 25 juni 2009 terecht heeft aangemerkt als gericht tegen het besluit van 12 december 2007. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen heeft de rechtbank terecht het standpunt van appellant verworpen dat geen sprake is van een besluit. Daarmee verdraagt zich echter niet dat de rechtbank het bezwaar heeft aangemerkt als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om herziening. De vaststelling dat de brief van 12 december 2007 een besluit is, staat er aan in de weg om inhoudelijk te kunnen beslissen in bezwaar tegen beweerdelijk niet-tijdig nemen van een besluit. Daarnaast wijst de Raad erop dat uit het verzoek van appellant en zijn overige brieven duidelijk is af te leiden dat volgens appellant een inhoudelijke herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid nodig is, hetgeen ook kan worden gelezen als een beroepsgrond tegen het besluit van

12 december 2007. Daaruit volgt dat appellant de vaststelling van het Uwv dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid, betwist.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak - behoudens voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv het griffierecht vergoedt - moet worden vernietigd. De Raad ziet geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

4.4. Bij het bestreden besluit is geconstateerd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en niet is gebleken van omstandigheden waardoor appellant niet in de gelegenheid zou zijn geweest tijdig bezwaar te maken. Ter zitting van de Raad is erop gewezen dat appellant bekend moet zijn geweest met de bezwaartermijn, gelet op de brief waarin hij de termijn noemt en op de eerder gevoerde procedures. Naar het oordeel van de Raad daarentegen kan in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest tijdig bezwaar te maken. De Raad wijst op zijn uitspraken van 23 juni 2011, LJN BR0151 en 5 juli 2011, LJN BR1156, waaruit volgt dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De Raad overweegt dat bij het besluit van 12 december 2007 een rechtsmiddelenverwijzing ontbrak en tevens gerede twijfel mogelijk was over het besluitkarakter van het besluit van 12 december 2007 en appellant - woonachtig in Marokko - niet beschikte over beroepsmatige verleende rechtsbijstand.

4.5. De Raad zal vervolgens beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 20 maart 1990 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft deze weigering bestreden. In zijn brieven stelt appellant dat de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is beoordeeld. In zijn verzoek van 12 oktober 2006 geeft appellant aan dat er medische verklaringen, bescheiden en stukken zouden zijn waaruit blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid inderdaad 80 tot 100% was.

4.6. Naar het oordeel van de Raad is terecht geweigerd terug te komen van het besluit van 20 maart 1990. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Zodanige feiten of omstandigheden heeft appellant niet vermeld. Appellant heeft meerdere brieven overgelegd, waarin hij het Uwv verzoekt een besluit te nemen en zijn uitkering te herzien, maar daarin is niet vermeld welke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden daartoe aanleiding zouden kunnen geven. De door appellant bedoelde medische stukken heeft de Raad in het dossier niet aangetroffen, zodat ook daaruit niet van nieuwe feiten of omstandigheden is gebleken.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.4, 4.5 en 4.6 volgt dat - doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen - het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een besluit te nemen dat in plaats treedt van het bestreden besluit en waarbij het bezwaar gericht tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond wordt verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv het griffierecht vergoedt;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar ongegrond;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H. Bolt en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) T. Dolderman.

EV