Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5866

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
09-6510 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De brief van 8 juni 2009, waarin enkel een gespecificeerd overzicht is opgenomen van nog openstaande vorderingen op appellant, is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6510 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2009, 09/3658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, heeft zich vervolgens als zijn gemachtigde gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 9 april 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 9 februari 2009 ingetrokken op de grond dat hij per die datum is gedetineerd en dat hij het College daarvan niet tijdig in kennis heeft gesteld.

Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 tot en met 28 februari 2009 tot een bedrag van € 609,84 van hem teruggevorderd. Bij afzonderlijk schrijven van dezelfde datum heeft het College aan appellant een gespecificeerd overzicht verstrekt van de nog op hem openstaande vorderingen tot een totaalbedrag van € 6.975,-- , inclusief de vordering van € 609,84.

Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het College het bezwaar deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat de detentie en de hoogte van de terugvordering niet is bestreden en voorts dat tegen andere eerder genomen besluiten wegens termijnoverschrijding geen bezwaar meer mogelijk is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het tegen het besluit van 27 juli 2009 ingestelde beroep, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2009 vernietigd voor zover het bezwaar daarbij niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen in zoverre in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 8 juni 2009 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het bezwaar op een onjuiste grond niet-ontvankelijk is verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 27 juli 2009 in stand zijn gelaten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de door hem destijds ontvangen bedragen geen inkomsten maar geldleningen betreffen en dat hij niet zou weten hoe hij de gevorderde bedragen van zijn bijstandsuitkering zou moeten terugbetalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat een schriftelijke mededeling over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van onder meer 4 januari 2005, LJN AS2079, en van 23 juni 2009, LJN BJ1822. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de brief van 8 juni 2009, waarin enkel een gespecificeerd overzicht is opgenomen van nog openstaande vorderingen op appellant, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar van appellant terecht - zij het op onjuiste gronden - niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet hierop is voor een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van appellant, gericht tegen de terugvordering van (een deel van) het bedrag van € 6.975,--, geen plaats.

4.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C. Nijholt.

HD