Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-2635 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2635 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 april 2009, 07/2199 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Ooms, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het Uwv heeft daarop een gewijzigd besluit, gedateerd op 29 juli 2010, ingezonden. Appellant heeft gereageerd op dit gewijzigde besluit.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 14 oktober 2002 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk als internationaal chauffeur bij [naam werkgever] Bij besluit van 18 september 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 13 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van € 148,27. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 29 april 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 27 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij brief van 24 oktober 2006 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004. Appellant betoogt dat zijn maatman, het maatmanloon en het WAO-dagloon niet juist zijn vastgesteld, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij in de referteperiode (van een jaar voorafgaand aan de eerste ziektedag) een psycholoog heeft bezocht als gevolg waarvan hij minder overuren heeft kunnen maken en dus minder loon heeft ontvangen.

1.4. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004, op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die dit terugkomen rechtvaardigen.

1.5. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 april 2007.

2.1. Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het Uwv het besluit van 5 april 2007 gewijzigd, en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2006 alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek van 24 oktober 2006 geweigerd terug te komen van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004 omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de periode vanaf het verzoek van 24 oktober 2006 heeft het Uwv een inhoudelijke beoordeling verricht. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv de maatman en het maatmanloon gewijzigd en - na een herberekening van het WAO-dagloon per 13 oktober 2003 - het WAO-vervolgdagloon per 24 oktober 2006 vastgesteld op € 126,10.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 10 oktober 2007, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De gemachtigde van appellant heeft de Raad tevens verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de rechterlijke fase.

3.1. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat de omvang van de maatman en het maatmanloon en derhalve tevens de mate van arbeidsongeschiktheid niet meer in geschil zijn.

3.2. Na de behandeling ter zitting heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2010 het WAO-vervolgdagloon per 24 oktober 2006 gewijzigd vastgesteld op € 127,13.

3.3. Bij brief van 6 december 2010 heeft appellant de Raad bericht dat hij zich kan verenigen met het WAO-vervolgdagloon van € 127,13. Appellant blijft evenwel van mening dat het gewijzigde (vervolg)dagloon met terugwerkende kracht dient te worden geëffectueerd vanaf 13 oktober 2003, omdat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.3 stelt de Raad vast dat uitsluitend nog in geschil is of het Uwv bevoegd was om het verzoek om terug te komen van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004 af te wijzen wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek van 24 oktober 2006, op de grond dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld. De Raad is van oordeel dat appellant het argument dat het dagloon per 13 oktober 2003 te laag was vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met het feit dat hij in verband met het bezoeken van een psycholoog in de referteperiode niet in staat is geweest zondagsdiensten te werken waar een vergoeding van 200% tegenover stond, reeds had kunnen aanvoeren in een procedure tegen de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004. In die besluiten heeft hij echter berust. Ook de stelling van appellant dat hij als gevolg van zijn medische situatie pas in een aanmerkelijk later stadium de consequenties van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004 heeft kunnen inzien en dat hem dit als gevolg van zijn medische situatie niet kan worden tegengeworpen, kan niet aangemerkt worden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient het bij een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb immers te gaan om een feit dat, of een omstandigheid die, ziet op het oorspronkelijke besluit.

4.3. Het Uwv was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van de besluiten van 18 september 2003 en 29 april 2004 af te wijzen wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek van 24 oktober 2006. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt (zie de uitspraak van de Raad van 11 juli 2008, LJN BD7033).

5.2.1. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.2.2. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant door het Uwv op 4 december 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim zes maanden verstreken.

5.2.3. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van appellant door de rechtbank op 8 mei 2007 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank één jaar en bijna 11 maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellant door de Raad op 13 mei 2009 tot de datum van deze uitspraak ruim twee jaar en drie maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden zowel door de rechtbank als door de Raad.

5.2.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist op het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

6. Uit hetgeen overwogen is onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad ziet, gelet op het in hoger beroep gewijzigde standpunt van het Uwv, aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand, op € 22,40 aan reiskosten, en op € 110,-- aan verletkosten, in totaal € 776,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 776,40;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 11/4169 SV wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD