Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-4718 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen eerdere aanvraag is geweest. Geen grond voor het oordeel de ingangsdatum - met verdergaande terugwerkende kracht - op een datum gelegen vóór 1 september 2007 te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4718 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2009, 08/8228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 19 december 2006 verhuisd van Tiel naar de gemeente Delft. Op 21 december 2007 heeft appellant zich gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) voor het aanvragen van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ten behoeve van hemzelf en zijn twee minderjarige kinderen. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij met ingang van 15 januari 2007 voor bijstand in aanmerking wil komen.

1.2. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het College appellant met ingang van 21 december 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3. Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het College het tegen de ingangsdatum gerichte bezwaar in zoverre gegrond verklaard en appellant alsnog bijstand met ingang van 1 september 2007 toegekend. Hierbij heeft het College laten wegen dat door de uitlatingen en handelwijze van de bijstandsambtenaar Meulenkamp bij appellant het vertrouwen kan zijn gewekt dat hem met ingang van 1 september 2007 bijstand toekwam.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat bij appellant het vertrouwen is gewekt dat het recht op bijstand zou worden beoordeeld vanaf 15 januari 2007. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hem rechtmatigheidsformulieren ter hand zijn gesteld over de maanden vanaf 1 januari 2007 en dat hem is gevraagd inlichtingen te verstrekken over zijn financiële omstandigheden in die periode. Ook zou appellant het bij hem gewekte vertrouwen hebben ontleend aan de hoogte van de voorschotten die hem vanaf 31 januari 2008 zijn verstrekt en die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor verrekening met hem nog toekomende bijstand vanaf 1 januari 2007. Appellant heeft zich evenmin kunnen vinden in het volgens hem door de rechtbank onderschreven standpunt van het College dat appellant niet heeft aangetoond dat hij vanaf 15 januari 2007 niet beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt en dat hem nimmer te verstaan is gegeven dat die inlichtingen niet voldoende waren om het recht op bijstand vanaf januari 2007 te kunnen vaststellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2. Appellant heeft verzocht om bijstand met ingang van 15 januari 2007. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat uit de beschikbare gegevens niet is gebleken dat er eerder dan op 21 december 2007 sprake is geweest van een melding of aanvraag van appellant als onder 4.1 bedoeld.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 (tekst tot 1 januari 2009) van de WWB - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2010, LJN BN2671 - wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden en/of de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zodanige omstandigheden is ook de Raad niet gebleken.

4.4. De onder 3 aangegeven hoger beroepsgronden kunnen naar het oordeel van de Raad niet leiden tot de conclusie dat Meulenkamp appellant een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan waaraan appellant een in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat hem met ingang van 15 januari 2007 bijstand zou worden verleend. De beschikbare gegevens bieden daarvoor volstrekt onvoldoende grondslag.

4.5. Het uitreiken van (door appellant overigens grotendeels niet ingevulde) rechtmatigheidsformulieren en het opvragen van bankgegevens en andere financiële bescheiden van appellant over een ruime periode voorafgaande aan de aanvraag, was volgens het College van belang voor het beoordelen van de financiële situatie van appellant in de periode voorafgaande aan de aanvraag en ten tijde van de aanvraag op 21 december 2007. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden, te minder nu de (financiële) situatie van appellant destijds tamelijk onoverzichtelijk was, onder meer in verband met een op handen zijnde openbare verkoop van het nog op naam van appellant staande onroerende goed in de vorm van een boerderij te Neerijnen.

4.6. In het verstrekken van voorschotten vanaf 31 januari 2008 ziet de Raad evenmin een omstandigheid op grond waarvan appellant redelijkerwijs de verwachting kon hebben dat hij met ingang van 15 januari 2007 bijstand zou gaan ontvangen. Die voorschotten zijn in de vorm van een lening verstrekt na de datum van aanvraag. De Raad acht de voorgeschoten bedragen bovendien niet zodanig hoog dat deze geacht kunnen worden mede betrekking te hebben op perioden voorafgaande aan de datum van de aanvraag. Daarenboven is in de betreffende besluiten aangegeven dat appellant er rekening mee diende te houden dat de voorschotten van hem zouden worden teruggevorderd, indien mocht blijken dat hij geen recht op bijstand had.

4.7. Nu er, gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen, geen grond is voor het oordeel de ingangsdatum - met verdergaande terugwerkende kracht - op een datum gelegen vóór 1 september 2007 te stellen, laat de Raad de kwestie of appellant over de periode van 15 januari 2007 tot 1 september 2007 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde voor dit geding verder buiten beschouwing.

4.8. Het hoger beroep treft gelet op het voorgaande geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) I. Mos.

HD