Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-5729 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering voorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen. Door de rechtbank is een deskundige geraadpleegd. Het oordeel van die deskundige wordt gevolgd. Appellante is ook bij lage (buiten) temperaturen door het gebruik van omhullende kleding in staat de lichaamstemperatuur c.q. bloedtemperatuur lokaal boven de 30 graden Celsius te houden. Er is bij appellante weliswaar een effect van de weersomstandigheden doch appellante kan zich daarop kleden dan wel omhullende kleding dragen. Er is dan ook in verband met de weersgevoelige aandoening van appellante geen medische noodzaak voor een gesloten buitenwagen bestaat. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5729 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2009, 06/1602 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Appellante heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningen rechter van de Raad heeft dit verzoek bij uitspraak van 27 november 2009 (LJN: BK5658) afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Voor appellante is verschenen mr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van belang zijnde feiten en

omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante, geboren in 1966, heeft in 2001 op eigen kosten een scootmobiel

aangeschaft. Bij besluit van 25 juni 2003 heeft het College aan appellante tijdelijk een gesloten buitenwagen toegekend.

1.2. Appellante heeft op 19 augustus 2003 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet Voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto met een lift voor het meenemen van een scootmobiel.

1.3. Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen. Tevens heeft het College besloten de gesloten buitenwagen in te nemen. Daartoe heeft het College - onder verwijzing naar het advies van de Stichting Tot en Met van 5 december 2003 - overwogen dat een indicatie voor een gesloten buitenwagen ontbreekt omdat geen noodzaak bestaat voor bescherming tegen weersinvloeden. Het College heeft de inname van de gesloten buitenwagen tijdelijk opgeschort.

1.4. Bij het besluit van 22 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard. Op 28 oktober 2005 heeft het College appellante meegedeeld dat, nu het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond is verklaard, de gesloten buitenwagen wordt ingenomen.

1.5. Bij uitspraak van 24 januari 2006, reg. nr. 05/4974, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat voorlopig een gesloten buitenwagen moet worden verstrekt.

1.6. Bij besluit van 17 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2004 opnieuw ongegrond verklaard.

1.7. Naar aanleiding van de uitspraak van 24 januari 2006 heeft het College aan appellante voorlopig een gesloten buitenwagen in gebruik gegeven.

1.8. Appellante heeft tegen het besluit van 17 maart 2006 beroep ingesteld. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij lijdt aan een weersgevoelige aandoening, die klachten meebrengt bij een temperatuur lager dan 20 graden Celsius als gevolg waarvan zij is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Voorts heeft appellante betoogd dat het College zijn standpunt dat er op neerkomt dat de weersgevoelige aandoening van appellante pas tot klachten leidt bij een temperatuur van minder dan 4 graden Celsius, niet met (medische) informatie heeft onderbouwd.

1.9. Op verzoek van de rechtbank heeft professor dr. L. Abraham-Inpijn (hierna: Abraham-Inpijn) op 17 mei 2008 advies uitgebracht. Abraham-Inpijn heeft appellante tijdens een spreekuurbezoek onderzocht, heeft kennis genomen van haar medisch dossier en heeft informatie ingewonnen bij de behandelend internist van appellante. Abraham-Inpijn heeft in haar rapport onder meer vermeld dat de klinische indruk bestaat dat buitentemperaturen tussen 10 en 15 graden Celsius tot klachten kunnen leiden. Voorts heeft zij op de vraag of de beperkingen van appellante gecompenseerd kunnen worden door het dragen van beschermende kleding geantwoord dat, zover als omhullende kleding in staat is de lichaamstemperatuur c.q. bloedtemperatuur lokaal, bijvoorbeeld in de acra (handen, voeten) boven de 30 graden Celsius te houden, dit zeker functioneel is.

1.10. Vervolgens heeft M.C. Heus (hierna: Heus), arts bij Argonaut Advies, op 1 juli 2009 een advies uitgebracht. Hij heeft de medische informatie bestudeerd, appellante thuis bezocht en het rapport van Abraham-Inpijn besproken in de intervisiegroep van Argonaut Advies. Heus is tot de conclusie gekomen dat met een lichaamstemperatuur van circa 37 graden Celsius en beschermende kleding - eventueel aangevuld met een voetenzak en moffen - de temperatuur van 30 graden Celsius zeker gehandhaafd moet kunnen blijven. Volgens Heus is het om die reden voor appellante mogelijk om gedurende het grootste deel van het jaar een afstand van 500 meter met een scootmobiel te overbruggen. Bij verplaatsingen boven de 500 meter kan appellante gebruik maken van het collectief aanvullend vervoer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 17 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de rapporten van de deskundige Abraham-Inpijn en de arts Heus niet blijkt dat appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, aangewezen was op een gesloten buitenwagen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij volgens Abrahan-Inpijn aangewezen is op gesloten buitenvervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe bij verordening regels dient vast te stellen.

4.1.2. Aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente Amsterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Verordening).

4.1.3. Ingevolge artikel 1.2, aanhef en onder c, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend, voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.1.4. Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken in de vorm van (onder andere) een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen.

4.1.5. Artikel 3.3, derde lid, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de verstrekking van een vervoersvoorziening rekening houden met de individuele vervoersbehoefte. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat voor zover in de individuele vervoersbehoefte kan worden voorzien door het aanvullend openbaar vervoer, geen voorziening als bedoeld in artikel 3.1, tweede tot en met vijfde lid, wordt toegekend.

4.1.6. De Beleidsregels Wet voorzieningen gehandicapten van het College van 29 juni 2001 (hierna: Beleidsregels) bepalen onder meer dat uitgangspunt bij de verstrekking van een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen is dat hiermee alle vervoerbehoeften op korte afstand en de iets langere afstand kunnen worden ingevuld omdat het openbaar vervoer, aanvullend openbaar vervoer en andere verplaatsingsmiddelen niet in aanmerking komen. Voorts is bepaald dat een gehandicapte alleen dan voor een gesloten buitenwagen in aanmerking komt wanneer er een medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden en dat interpretatie van het begrip “bescherming tegen weersinvloeden” heeft geleid tot het formuleren van medische criteria door de artsen van de Stichting Tot en Met. Deze criteria zijn:

- de aanvrager ondervindt gezondheidsschade door weersinvloeden, waarbij

beschermende kleding alleen niet voldoende is om dit te compenseren;

- gezondheidsschade kan worden voorkomen of gecompenseerd door bij iedere

verplaatsing buitenshuis gebruik te maken van overdekt vervoer;

- aandoeningen die leiden tot functionele beperkingen die nog lange tijd aanhouden

nadat expositie aan koude reeds voorbij is.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij appellante sprake is van een weersgevoelige aandoening. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of er bij appellante sprake is van een zodanig weersgevoelige aandoening, dat zij is aangewezen op een gesloten buitenwagen.

4.3. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad schaart zich achter het oordeel van de rechtbank dat er op neerkomt dat uit de bevindingen van arts Heus van Argonaut en de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde Abraham-Inpijn niet blijkt dat appellante ten tijde in geding op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, aangewezen was op een gesloten buitenwagen. Beide artsen hebben appellante onderzocht, het medisch dossier van appellante bestudeerd en kennis genomen van informatie van de behandelend artsen van appellante. Uit de bevindingen van Heus en Abraham-Inpijn blijkt dat appellante ook bij lage (buiten) temperaturen door het gebruik van omhullende kleding in staat is de lichaamstemperatuur c.q. bloedtemperatuur lokaal boven de 30 graden Celsius te houden. Er is bij appellant weliswaar een effect van de weersomstandigheden doch appellante kan zich daarop kleden dan wel omhullende kleding dragen. De Raad oordeelt dan ook dat er in verband met de weersgevoelige aandoening van appellante geen medische noodzaak voor een gesloten buitenwagen bestaat. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. de Jong.

KM