Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10/926 WWB + 10/2062 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden bij een seksinrichting. Geld ontvangen van ouders zonder daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/926 WWB

10/2062 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 december 2009, 08/1730 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 9 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. van Kempen, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Plas.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft over de periode van 8 januari 1997 tot 16 september 2004 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven gestaan als directeur van [bedrijfsnaam], gevestigd aan de [vestigingsplaats] In dit bedrijf exploiteerde zij samen met haar (ex-)partner [B.] een seksinrichting.

1.2. In het kader van haar aanvraag om bijstand heeft betrokkene verklaard vanaf 15 september 2004 niet meer werkzaam te zijn voor [bedrijfsnaam]. Vanaf 26 april 2005 is aan betrokkene (aanvullende) bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. In 2007 heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de Sociale Recherche onder meer dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij diverse instanties en getuigen gehoord. Betrokkene heeft als verdachte ook een verklaring afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 27 september 2007.

1.3. Appellant heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gevonden bij besluit van

24 oktober 2007 de bijstand van betrokkene met ingang van 10 september 2007 te beëindigen en de over de periode van 26 april 2005 tot en met 9 september 2007 toegekende bijstand in te trekken. Dit besluit heeft appellant bij besluit van 4 maart 2008 gewijzigd door de vastgestelde periode van intrekking te verlengen tot 24 oktober 2007 en de bijstand van die datum beëindigd. Tevens heeft appellant bij besluit van 6 december 2007 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 april 2005 tot en met 9 september 2007 tot een bedrag van € 26.164,80 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 15 april 2008 heeft appellant de tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarbij is overwogen dat betrokkene geen opgave heeft gedaan van het op haar naam staande huurcontract van het pand aan de [adres] te [gemeente] waarin [bedrijfsnaam] is gevestigd. Ook zou betrokkene voor [bedrijfsnaam] werkzaamheden hebben verricht en een bankrekening van dit bedrijf op haar naam hebben staan. Daarnaast zou betrokkene van haar ouders geld hebben ontvangen en zouden de ouders de kosten van haar auto voor hun rekening hebben genomen. Hiermee is voor appellant voldoende komen vast te staan dat betrokkene inkomsten heeft gehad die zij niet heeft opgegeven.

2. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op de bezwaren van betrokkene neemt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het haar aannemelijk voorkomt dat betrokkene voor de werkzaamheden, die zij in het kader van haar opleiding visagie voor [bedrijfsnaam] verrichtte, niet werd betaald. De rechtbank is voorts van oordeel dat het volstrekt onaannemelijk is dat een seksinrichting van de omvang van [bedrijfsnaam] een visagist in dienst zou hebben, zodat deze werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid. Ook is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat betrokkene gedurende de periode hier in geding over de tegoeden op de bankrekening van [bedrijfsnaam] kon beschikken dan wel dat zij (andere) zakelijke belangen had in dit bedrijf. Daarbij heeft de rechtbank de verklaring van [B.] van 18 augustus 2009 in aanmerking genomen. Met betrekking tot de financiële ondersteuning van de ouders van betrokkene heeft de rechtbank opgemerkt dat dit gelden zijn uit leningen die betrokkene - indien zij daartoe in staat is - dient terug te betalen. Met betrekking tot de auto (Fiat Punto) heeft de rechtbank overwogen dat deze niet tot het vermogen van betrokkene kan worden gerekend. De rechtbank komt op basis van het vorenstaande tot de conclusie dat appellant de bijstand van betrokkene ten onrechte heeft beëindigd en ingetrokken en de kosten van de bijstand eveneens ten onrechte heeft teruggevorderd.

3. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De door betrokkene verrichte werkzaamheden hadden door haar moeten worden opgegeven ongeacht of het om geld waardeerbare arbeid of om vrijwilligerswerk gaat. De stelling van betrokkene dat de werkzaamheden in het kader van haar opleiding visagie zouden zijn verricht, dienen volgens appellant slechts als een verklaring voor haar aanwezigheid bij [bedrijfsnaam]. Betrokkene heeft door haar aanwezigheid de belangen van [bedrijfsnaam] behartigd. Voorts is niet aannemelijk dat betrokkene niet kon beschikken over de bankrekening van [bedrijfsnaam]. Aan de achteraf opgestelde verklaring van [B.] van 18 augustus 2009 had de rechtbank geen doorslaggevende betekenis mogen toekennen. Dat betrokkene zakelijke belangen had in [bedrijfsnaam] blijkt ook uit het op haar naam staande huurcontract en haar optreden tijdens een rechtszaak die verband hield met de huurachterstanden. Ook kunnen de door de ouders van betrokkene verstrekte gelden niet als leningen worden aangemerkt nu daaraan geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. De vergoeding van de kosten van de auto moet voorts worden aangemerkt als inkomsten in natura waarmee in het kader van de bijstandsverstrekking rekening moet worden gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat aannemelijk is dat betrokkene vanaf de aanvang van de bijstandsverlening (26 april 2005) tot en met begin 2006 in het bedrijf [bedrijfsnaam] op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht waarvan betrokkene in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting geen mededeling aan appellant heeft gedaan. Daarbij kent de Raad allereerst betekenis toe aan de volgende passages uit de door betrokkene tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring.

“Ik kan u verklaren dat het klopt dat ik in het jaar 2005, na het verkrijgen van mijn uitkering van de gemeente, af en toe heb gewerkt bij [bedrijfsnaam]. Ik stond dan in de winkel beneden. Als er klanten kwamen die naar boven wilden dan regelde ik dat die naar boven gingen naar een van de aanwezige prostituees. (…).

U stelt dat het CZT (lees: Commerciële Zeden team) heeft gerapporteerd dat ik bij [bedrijfsnaam] gecontroleerd ben en achter de balie ben aangetroffen en dat ik verklaard heb dat ik de huidige vriendin ben van [P.]. (…) Het klopt wel dat ik tijdens die controle daar aan het werk was. Die werkzaamheden heb ik niet aan de gemeente doorgegeven. Ik besef dat dat fout is.

Vanochtend had ik u al verklaard dat ik na aanvraag uitkering toch nog in de winkel van [bedrijfsnaam] gewerkt heb. Voor die werkzaamheden betaalde [P.] mij geen loon maar als ik geld nodig had voor mijn levensonderhoud voor mij en mijn kinderen dan gaf hij mij dat voor die werkzaamheden.”

De Raad acht voorts van belang de volgende passages uit de getuigenverklaring van [d. J.], de verhuurder van het pand waarin [bedrijfsnaam] is gevestigd;

“In die periode kwam ik tot april 2006 maandelijks voor de huur bij [P.] en [S.]. [S.] stond vaak overdag in die periode in het bordeel.

Eigenlijk kwam ik er vanaf rond 2002-2003 bijna wekelijks om de huur op te halen. Dit heb ik dus gedaan tot april 2006. Ik kan u verklaren dat ik in die jaren van 1997 tot en met april 2006 altijd heb gezien dat het bordeel [bedrijfsnaam] er zat. In al die jaren hebben [P.] en [S.] het bordeel geleid. (…).

Samenvattend kan ik u verklaren dat [S.] altijd in het bordeel [bedrijfsnaam] heeft gewerkt vanaf de dag dat zij het pand huurden tot ergens in februari 2006.”

4.2. Uit de hiervoor aangehaalde passages van de verklaring van betrokkene blijkt dat betrokkene voor [bedrijfsnaam] werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij als tegenprestatie geld heeft ontvangen om in haar levensonderhoud te voorzien. Bovendien kan uit de omschrijving van de werkzaamheden worden opgemaakt dat de werkzaamheden meer hebben omvat dan alleen de door betrokkene gestelde werkzaamheden die zij in het kader van de opleiding visagie heeft uitgevoerd. In dit verband acht de Raad ook van belang dat betrokkene haar opleiding visagie, blijkens haar hiervoor uitgereikte diploma, reeds in juni 2005 had afgerond en dat het Commercieel Zeden team haar nog op 26 september 2005 heeft bezocht. De Raad heeft in de stukken geen aanknopingspunten gevonden dat niet van de juistheid van door betrokkene afgelegde verklaring kan worden uitgegaan. De verklaring van betrokkene stemt voorts overeen met de verklaring van [d. J.] waaruit kan worden opgemaakt dat betrokkene vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot en met begin 2006 in [bedrijfsnaam] werkzaamheden heeft verricht. De stelling van betrokkene dat [d. J.] belang had bij het afleggen van zijn verklaring waardoor van de juistheid hiervan niet mag worden uitgegaan, kan de Raad in het licht van het vorenstaande niet volgen. Dat [d. J.] in een andere procedure onder meer heeft verklaard dat betrokkene niet meer is dan een strovrouw en dat zij nooit bestuurder van [bedrijfsnaam] is geweest, betekent voorts niet dat zij ten tijde hier in geding geen werkzaamheden voor [bedrijfsnaam] heeft verricht.

4.3. Voorts stelt de Raad aan de hand van de verklaring van betrokkene vast dat zij kon beschikken over de girorekening van [bedrijfsnaam]. Hierover heeft zij verklaard: “Het klopt dat ik over het geld kon beschikken omdat de rekening op mijn naam stond en ik de bijbehorende pas had.” Tevens blijkt uit de stukken dat betrokkene de giroafschriften op haar huisadres heeft ontvangen. Met appellant stelt de Raad zich op het standpunt dat de rechtbank te grote betekenis heeft toegekend aan verklaring van [B.] van 18 augustus 2009. Het gaat hier om een achteraf opgestelde verklaring die in tegenspraak is met de eigen verklaring van betrokkene over haar beschikkingsmacht over de rekening, welke verklaring voorts niet is ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. De Raad stelt vast dat de rekening met ingang van 30 augustus 2006 is opgeheven. De Raad is evenwel van oordeel dat betrokkene ook na augustus 2006 blijk heeft gegeven van zakelijke betrokkenheid bij [bedrijfsnaam], nu in die periode het huurcontract van [bedrijfsnaam] op haar naam is blijven staan en zij medio juli 2007 nog de belangen van [bedrijfsnaam] in een huurgeschil heeft behartigd.

4.4. Op basis van de verklaring van betrokkene en haar vader [P.] kan voorts worden vastgesteld dat betrokkene gedurende de gehele in geding zijnde periode van haar vader geld heeft ontvangen voor haar levensonderhoud waarvan zij geen melding heeft gemaakt aan appellant. Het ging blijkens de verklaring van betrokkene en haar vader om bedragen tussen de € 200,-- à € 300,-- per maand. Uit de verklaring van de vader van betrokkene blijkt voorts dat betrokkene het geld pas hoeft terug te betalen indien zij daartoe - financieel gezien - de mogelijkheid heeft. Met appellant kan hiermee worden vastgesteld dat aan deze schuld geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, nu een eventuele terugbetaling afhankelijk is gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis (zie bijvoorbeeld uitspraak van 7 december 2010, LJN BO7441). Het e-mailverkeer dat betrokkene met haar klantmanager heeft gehad en waarin staat vermeld dat betrokkene haar vader niet kan terug betalen, doet aan het vorenstaande niet af, ook niet omdat niet duidelijk is waar deze terugbetaling betrekking op heeft. Tevens kan op basis van de verklaringen van betrokkene en haar vader worden vastgesteld dat aan betrokkene een auto in bruikleen is gegeven waarvan haar vader de kosten van de wegenbelasting en de verzekering betaalt. Ook dit zijn voor de bijstandsverlening relevante gegevens. Uit de verklaring van betrokkene blijkt ten slotte dat [B.] aan betrokkene, naast de door haar opgegeven alimentatie ten bedrage van € 75,--, extra geldbedragen gaf indien zij daarom vroeg. Betrokkene heeft verzuimd deze bedragen aan appellant op te geven.

4.5. Op grond van het voorgaande heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat wegens de hierboven omschreven schendingen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de gehele in geding zijnde periode van 26 april 2005 tot en met 23 oktober 2007 en op 24 oktober 2007 niet is vast te stellen. Met het vorenstaande is tevens gegeven dat appellant bevoegd was de bijstand van betrokkene met ingang van 24 oktober 2007 te beëindigen en over de periode van 26 april 2005 tot en met 23 oktober 2007 in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Betrokkene heeft de uitoefening van deze bevoegdheden niet bestreden. Hieruit vloeit voort dat appellant ook bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode van 26 april 2005 tot en met 9 september 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 26.164,80 over te gaan. Betrokkene heeft de uitoefening van deze bevoegdheid evenmin bestreden.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep tegen het besluit van 15 april 2008, gelet op hetgeen onder 4.1 tot 4.5 is overwogen, ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling in het hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L.G. Boot.

HD