Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-2609 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Onvoldoende reden om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2609 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2010, 09/3977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is van 1 augustus 2008 tot en met 31 januari 2009 in de functie van medewerker salarisadministratie in Wsw-verband in dienst geweest van de Stichting Werkgeversinstituut Sociaal Cultureel Werk Rotterdam. Appellant heeft zich op 23 december 2008 wegens psychische klachten ziek gemeld en naar aanleiding hiervan is aan hem met ingang van 1 februari 2009 een ziekengelduitkering toegekend. Deze uitkering is met ingang van 20 maart 2009 beëindigd, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid.

2. Appellant heeft zich op 19 juni 2009, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, opnieuw ziek gemeld. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 11 augustus 2009 is vastgesteld dat appellant met ingang van 17 augustus 2009 niet langer ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 11 augustus 2009 is aan appellant dienovereenkomstig meegedeeld dat hij met ingang van 17 augustus 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.

3. Bij besluit van 15 oktober 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 augustus 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan het door de bezwaarverzekeringsarts op 14 oktober 2009 uitgebrachte rapport. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de aangevoerde visusklachten van appellant niet geobjectiveerd zijn en ook de gevolgen daarvan voor het al dan niet geschikt zijn voor zijn arbeid aan de hand van medische informatie niet aannemelijk is gemaakt.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad stelt vast dat appellant op 11 augustus 2009 uitgebreid is onderzocht door verzekeringsarts I. Sevinc, die daarbij heeft geconstateerd dat appellants medische toestand ondanks de verminderde stressbestendigheid stabiel was. Bloedsuiker en cholesterol bleken volgen de verzekeringsarts gunstig te reageren op lichaamsbeweging en medicatie. Op 8 september 2009 is appellant opnieuw onderzocht door deze verzekeringsarts, die daarbij tot gelijke bevindingen is gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en aansluitend nog medisch onderzoek verricht, waarna is geconcludeerd dat appellant in dezelfde toestand verkeerde als voor de indiensttreding als medewerker salarisadministratie. Naar aanleiding van de in beroep aangevoerde gronden heeft de bezwaarverzekeringsarts op 29 december 2009 nog gerapporteerd dat het gezichtsvermogen van appellant met correctie voldoende is.

5.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De in hoger beroep nog overgelegde gegevens werpen niet een wezenlijk ander licht op appellants functioneren ten tijde hier in geding. Ook daarin ziet de Raad dus onvoldoende reden om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK