Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-1547 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldige medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1547 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 februari 2010, 09/2281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant werkte sinds september 2008 als medewerker klantenservice voor 18 uur per week. Per 26 maart 2009 heeft hij zich ziek gemeld in verband met pijnklachten in de nek, rug en rechter arm, concentratieklachten en cognitieve klachten. Na medisch onderzoek op 23 april 2009 heeft de verzekeringsarts appellant met ingang van 24 april 2009 geschikt geacht voor zijn arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2009 beslist dat appellant met ingang van 24 april 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 26 mei 2009 - bij besluit van 28 mei 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad (LJN BI4863) van oordeel dat er geen aanleiding bestond informatie op te vragen bij de behandelende sector. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat noch uit het bezwaarschrift, noch uit het beroepschrift blijkt dat wordt verwacht dat de behandeling bij de chiropractie-praktijk en acupuncturist een beduidend effect zullen hebben op appellants mogelijkheden om arbeid te verrichten. Door appellant is evenmin gesteld dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. De rechtbank heeft voorts gewezen op het feit dat de primaire verzekeringsarts appellant op het spreekuur heeft gezien en dat appellant daarbij desgevraagd heeft aangegeven geen beperkingen te ondervinden aan nek, armen of anderszins. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich vervolgens uitsluitend op grond van het dossier een oordeel kunnen vormen over de mate van arbeidsongeschiktheid omdat appellant niet op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts is verschenen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellant geschikt is zijn werk per 24 april 2009 te verrichten.

3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat de verzekeringsartsen informatie hadden moeten inwinnen bij de behandelende sector. Zijn klachten zijn niet serieus genomen. Voorts stelt appellant dat het niet doorgaan van het medisch onderzoek in de bezwaarfase niet aan appellant kan worden geweten of aan hem kan worden tegengeworpen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. Hetgeen door appellant in hoger beroep wordt aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en wordt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet hierin geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad wijst er daarbij nog op dat - anders dan appellant stelt - appellant blijkens de brief van 22 mei 2009 zelf heeft verzocht om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen op basis van het beschikbare dossier. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts dit vervolgens op zorgvuldige wijze heeft gedaan.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

24 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV