Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-23 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschiktheid voor één van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling voorgehouden functies.

Voldoende zorgvuldig onderzoek. Niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met de gezondheidstoestand van appellant voor de ziekmelding, van een toename van zijn beperkingen sprake is. Geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/23 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 november 2009, 09/2678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Sarin, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Sarin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als chef-kok, is in augustus 2005 uitgevallen vanwege een motorongeval. Bij besluit van 11 december 2007 heeft het Uwv zijn beslissing gehandhaafd dat appellant met ingang van 25 juli 2007 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 35% bedraagt. Daarbij is appellant geschikt geacht om met zijn medische beperkingen de functies van samensteller metaalwaren (sbc 264140), productiemedewerker industrie

(sbc 111180) en machinaal metaalbewerker (sbc 264122) te verrichten.

2. Op 8 oktober 2008 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving opnieuw ziek gemeld met toegenomen pijnklachten van zijn linkerbeen. Op 3 februari 2009 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat bij appellant op de datum van zijn ziekmelding een wezenlijke en blijvende verandering in zijn medische toestand en/of zijn belastbaarheid is ontstaan. Bij besluit van gelijke datum wordt appellant per 8 oktober 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit van 21 april 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn weigering gehandhaafd om appellant met ingang van 8 oktober 2008 een ZW-uitkering toe te kennen. Uit oogpunt van zorgvuldigheid heeft het Uwv ervan afgezien om de reeds aan appellant tot 10 februari 2009 betaalde ZW-uitkering terug te vorderen. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M.W. Koek van 20 april 2009 ten grondslag. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Volgens appellant kan hij niet in staat worden geacht om zijn arbeid te verrichten en had de rechtbank een onafhankelijk deskundige moeten inschakelen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verzocht om aanhouding van de zaak om de uitslag te kunnen afwachten van een psychiatrisch deskundigenonderzoek dat de rechtbank in een nieuwe ZW-procedure heeft gelast.

Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft geen grond gezien voor uitstel van de behandeling ter zitting. Daartoe heeft de Raad overwogen dat hij gelet op de in de onderhavige zaak aanwezige stukken van medische aard geen aanknopingspunten heeft gevonden om aan te nemen dat de uitkomst van het thans lopende psychiatrische onderzoek van appellant aan de onderhavige zaak kan bijdragen.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig ander werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is, indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zoals de Raad eerder heeft beslist, is er geen reden anders te oordelen met betrekking tot functies die zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA.

4.3. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 8 oktober 2008 in elk geval niet ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan hem in het kader van de Wet WIA-beoordeling voorgehouden functies.

4.4. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op het meergenoemde rapport van Koek van 20 april 2009, alsmede op haar rapportage van 19 oktober 2009, waarin Koek is ingegaan op de door appellant bij de rechtbank ingebrachte medische stukken en door haar gemotiveerd het standpunt is herhaald dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven. Met de rechtbank acht de Raad door appellant niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met de gezondheidstoestand van appellant voor de ziekmelding, van een toename van zijn beperkingen sprake is. In de voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder die medische informatie waarop door appellant een beroep wordt gedaan, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel noch voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK