Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-226 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geschiktheid voor het verrichten van haar arbeid, zijnde de in het verleden in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Zorgvuldige beoordeling van de medische toestand. De beperkingen ten tijde in geding zijn juist beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/226 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 november 2009, 09/1651 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011.

Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Ketelaars. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft tot 4 oktober 2006 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van voormelde datum is die uitkering ingetrokken, omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht functies te vervullen zonder enig verlies aan verdiencapaciteit. Het beroep tegen het terzake afgegeven besluit op bezwaar is door de rechtbank Breda bij uitspraak van 17 juni 2008 ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad op 8 juli 2009 is bevestigd.

2. Appellante heeft zich op 29 juli 2008, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld. Bij besluit van 26 januari 2009 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 30 januari 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet langer ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, zijnde de in het verleden in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies.

3. Bij besluit van 3 maart 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de medische gegevens niet gebleken dat er sprake is van een wijziging van de belastbaarheid van appellante ten opzichte van de situatie ten tijde van de WAO-beoordeling.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts naast dossieronderzoek en het bijwonen van de hoorzitting een uitgebreid medisch onderzoek heeft verricht. Daarbij zijn alle door appellante, in hoger beroep opnieuw, naar voren gebrachte medische klachten in beeld gebracht. Ook de reden van de verwijzing naar een psycholoog is door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de Raad geeft dit alles blijk van een zorgvuldige beoordeling van de medische toestand van appellante ten tijde hier in geding.

5.2. Uit het op 11 november 2009 door de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapport blijkt verder nog dat appellante, ook met inachtneming van uit een post traumatisch stresssyndroom (PTSS) met verlaat begin voortvloeiende beperkingen, ten tijde in geding in staat moest worden geacht één van de geselecteerde functies, te weten die van productiemedewerker industrie, te vervullen.

5.3. Uit het door appellante in hoger beroep nog overgelegde journaal van de huisarts met specialistenbrieven kan de Raad, gelet op het verhandelde ter zitting, niet afleiden dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante ten tijde in geding onjuist heeft beoordeeld.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar

op 24 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK