Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-4504 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. Voortzetting van de dienstbetrekking kon redelijkerwijs van appellante worden gevergd. Het feit dat appellante een stagevergoeding werd betaald betekent niet dat er in december 2008 al een reëel uitzicht was op een baan voor minimaal een half jaar. Niet is gebleken dat appellante haar werkzaamheden bij haar werkgever niet meer zou kunnen voortzetten vanwege een toekomstige verhuizing. Appellante heeft dan ook te lichtvaardig ontslag genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4504 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2010, 09/2118

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2011, waar appellante is verschenen bijgestaan door mr. Roethof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is met ingang van 8 mei 2006 met [naam werkgever] (hierna: werkgever) een uitzendovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd. Appellante werkte vanaf mei 2007 bij de inlener [naam inlener] te [vestigingsplaats]. Op 4 december 2008 heeft appellante met ingang van 4 januari 2009 haar dienstverband met de werkgever opgezegd.

2.1. Appellante heeft op 4 december 2008 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Als reden voor de ontslagname heeft appellante op het aanvraagformulier opgegeven dat de inlener [naam inlener] voor haar geen werk meer had en dat toen zij eerder in zo’n situatie verkeerde zij door de werkgever geestelijk is gemarteld. Verder gaf appellante aan dat zij een opleiding met uitzicht op een toekomstige baan is gaan volgen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

2.2. Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering toe te kennen. Appellante is door het Uwv verwijtbaar werkloos geacht omdat zij ontslag heeft genomen zonder dat dit noodzakelijk was. Haar bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2009 is bij besluit van 17 april 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat er voor appellante geen (acute) dringende redenen aanwezig waren om niet langer bij de werkgever in dienst te zijn en via de werkgever bij de inlener [naam inlener] werkzaam te blijven. Van een verhuizing van de inlener [naam inlener] van [vestigingsplaats] naar [vestigingsplaats 2] met als gevolg dat appellante in een zogenoemde “leegloop” bij de werkgever terecht zou komen, was op het moment van ontslagname geen sprake. Bovendien stond toen nog niet vast dat de werkgever na de verhuizing van de inlener [naam inlener] voor appellante geen andere opdracht zou hebben. Naar de opvatting van het Uwv had van appellante verwacht mogen worden dat zij zich er eerst van had vergewist of er volledige zekerheid bestond dat zij in dat werk aan de slag kon gaan alvorens bij de werkgever ontslag te nemen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een zodanige onaanvaardbare werksituatie dat van appellante niet had kunnen worden gevergd haar dienstverband voort te zetten. Wat er ook zij van situaties in het verleden, waarin volgens appellante sprake was van geestelijke marteling door de werkgever tijdens de periode van “leegloop”, op het moment van ontslagname van appellante was daarvan in ieder geval geen sprake. De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat appellante haar baan bij de werkgever te lichtvaardig heeft opgezegd omdat het nog niet zeker was dat zij een dienstverband bij de gemeente Amsterdam zou krijgen. Appellante heeft hiermee te veel risico heeft genomen en dat valt haar te verwijten.

4.1. In hoger beroep stelt appellante dat de rechtbank in redelijkheid niet tot de bestreden uitspraak heeft kunnen komen. Volgens appellante is de uitspraak in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van zorgvuldige voorbereiding, het motiveringsvereiste, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat de uitspraak getuigt van onevenredige hardheid en dat haar geen verwijt valt te maken.

4.2. In verweer heeft het Uwv aangevoerd dat er geen onderbouwing is gegeven voor de beroepsgronden van appellante. Het Uwv volstaat met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank en met name naar punt 3 van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, het Uwv de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.2. Appellante heeft ontslag genomen bij de werkgever omdat zij meende dat de inlener [naam inlener] van [vestigingsplaats] naar [vestigingsplaats 2] zou verhuizen en dat er om die reden voor haar geen werk meer zou zijn. Zij wilde niet weer in de “leegloop” van de werkgever terechtkomen met alle verplichtingen die daaraan zijn verbonden en verder wilde zij werk gaan doen in een vast dienstverband waarmee zij meer affiniteit had. Appellante solliciteerde naar de functie van Inspecteur Bouw en Woningtoezicht bij de gemeente Amsterdam maar werd voor die functie niet aangenomen omdat zij niet beschikte over het vereiste opleidingsniveau. Appellante is toen gewezen op de mogelijkheid om de opleiding Inspecteur Bouw en Woningtoezicht te volgen, een opleiding die door de Gemeente Amsterdam in samenwerking met ROC/Holland is opgezet, terwijl die opleiding zou kunnen worden gecombineerd met een stage (inclusief stagevergoeding) bij de Dienst Milieu en Bouwtoezicht. Om daarvoor in aanmerking te komen moest zij een assessment doorlopen. Op 26 november 2008 is appellante met de opleiding en stage begonnen zonder een schriftelijke toezegging van de Gemeente Amsterdam. Op 15 december 2008 heeft appellante deelgenomen aan het assessment en op 9 januari 2009 is appellante meegedeeld dat zij deze voor haar niet succesvol was verlopen en dat zij niet voor de opleiding in aanmerking kwam. De inmiddels door haar ontvangen stagevergoeding over de maanden november en december 2008 moest appellante terugbetalen.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat genoemde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd. Van appellante had vanuit een oogpunt van de WW verwacht mogen worden dat zij haar werkzaamheden bij de werkgever zou hebben voortgezet nu er ten tijde van het ontslag nog geen zekerheid bestond op een baan voor minimaal een half jaar. Op 26 november 2008 is appellante begonnen met de opleiding voor inspecteur terwijl zij wist of had kunnen weten dat zij hiervoor nog een assessment moest doorlopen met positief resultaat. Het feit dat appellante een stagevergoeding werd betaald betekent niet dat er in december 2008 al een reëel uitzicht was op een baan voor minimaal een half jaar. Niet is gebleken dat appellante haar werkzaamheden bij [naam inlener] niet meer zou kunnen voortzetten vanwege een toekomstige verhuizing. Appellante heeft dan ook te lichtvaardig ontslag genomen.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is geen ruimte voor een veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) T.J. van der Torn.

TM