Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
08-4841 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten contra-expertise taalanalyse vreemdeling.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/267
RSV 2011/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4841 WWB

11/544 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008, 07/3735 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De Staatssecretaris van Justitie heeft betrokkene bij brief van 3 mei 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om de aan hem voor onbepaalde tijd verleende verblijfsvergunning asiel in te trekken op de grond dat betrokkene onjuiste gegevens heeft verschaft omtrent zijn nationaliteit, etnische afkomst en herkomst. Uit een taalanalyse van 22 maart 2007 is namelijk gebleken dat betrokkene, anders dan hij heeft verklaard, niet eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Soedan. Uit een taalanalyse van 29 maart 2007 is vervolgens gebleken dat betrokkene wel eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Nigeria. Betrokkene is bij voormelde brief in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen. Daarbij is betrokkene erop gewezen dat hij, indien hij het oneens is met de resultaten van de taalanalyse, een contra-expertise kan laten uitvoeren.

1.2. Betrokkene heeft bij brief van 5 juni 2007 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een contra-expertise bij appellant ingediend.

1.3. Appellant heeft de aanvraag bij besluit van 26 juni 2007 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 11 september 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2007 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de kosten van een contra-expertise niet noodzakelijk zijn.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit vernietigd wegens onder andere een onjuiste toepassing van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) en appellant opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat appellant de kosten van de contra-expertise ten onrechte niet als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft aangemerkt. Voor betrokkene is het laten verrichten van een contra-expertise immers in feite de enige mogelijkheid om het geschil met de Staatssecretaris van Justitie in zijn voordeel te doen beslechten.

3. Op 4 december 2008 heeft appellant ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2007 gegrond verklaard, dit besluit ingetrokken en aan betrokkene bijzondere bijstand voor de kosten van een contra-expertise verleend.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

5.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor betrokkene bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten van de contra-expertise in het geval van betrokkene als noodzakelijk moeten worden aangemerkt.

5.4. Appellant voert aan dat de resultaten van een taalanalyse volgens rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) niet alleen door middel van een contra-expertise kunnen worden bestreden. De Afdeling neemt ook andere argumenten in beschouwing bij de beoordeling of er redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van de taalanalyse. Volgens appellant heeft betrokkene geen begin van bewijs geleverd waaruit kan blijken dat de taalanalyse op onjuiste feiten of omstandigheden is gebaseerd, dat sprake is geweest van een onjuiste interpretatie van de feiten of dat een onjuiste conclusie is getrokken naar aanleiding van de analyse.

5.5. De Raad volgt appellant hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de Staatssecretaris van Justitie namelijk van de uitkomst van een taalanalyse uitgaan indien de vreemdeling geen contra-expertise laat verrichten. De vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat de Staatssecretaris van Justitie een nieuwe taalanalyse moet verrichten dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2008, LJN BD8591).

5.6. De Raad heeft in een aantal uitspraken (zoals de uitspraak van 13 mei 2008, LJN BD1529) inzake het verlenen van bijzondere bijstand voor een medische contra-expertise geoordeeld dat de kosten van de contra-expertise niet noodzakelijk zijn. De Raad heeft daarbij vooropgesteld dat de betrokkene zijn argumenten zonodig kan onderbouwen met reeds voorhanden gegevens, met name medische gegevens uit de behandelende sector zoals van de huisarts of een andere behandelend arts of specialist. Voor het daarnaast op eigen initiatief inschakelen van een medisch deskundige zal, vooruitlopend op de heroverweging in bezwaar en de beoordeling in beroep, als regel geen aanleiding bestaan. Voorts vormt de enkele wens tot versterking van de eigen positie in een geschil met een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Raad geen toereikende grond voor inschakeling van een deskundige. In voormelde uitspraak van

13 mei 2008 heeft de Raad voorts overwogen dat de bestuursrechter ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid heeft om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar of beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien de inbreng van die deskundige wezenlijk aan de beoordeling van de zaak en/of in beroep heeft bijgedragen. De betrokkene zal met betrekking tot de vraag of hij een medische contra-expertise zal laten verrichten in dat licht een afweging behoren te maken.

5.7. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval sprake is van een wezenlijk andere situatie dan in de gevallen waarop de onder 5.6 vermelde rechtspraak ziet. Anders dan in gevallen waarop die rechtspraak betrekking heeft, heeft betrokkene in dit geval geen mogelijkheid om reeds voorhanden zijnde gegevens te verstrekken en kan betrokkene de resultaten van de taalanalyse slechts bestrijden door het laten verrichten van een contra-expertise. Gelet daarop kan het streven van betrokkene om een contra-expertise te laten verrichten niet worden aangemerkt als de enkele wens tot versterking van de eigen positie in het geschil met de Staatssecretaris van Justitie. Voorts dient de vreemdeling de resultaten van de contra-expertise volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in beginsel reeds in het kader van de (primaire) besluitvorming over te leggen (zie bijvoorbeeld de onder 5.5 vermelde uitspraak van 11 juli 2008), in dit geval derhalve bij het indienen van de zienswijze naar aanleiding van het voornemen de verblijfsvergunning asiel in te trekken. Artikel 8:75 van de Awb voorziet weliswaar in een vergoeding voor in bezwaar, administratief beroep, beroep en hoger beroep gemaakte kosten, maar niet voor vergoeding van kosten die in de fase van de (primaire) besluitvorming worden gemaakt. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de gevolgen van de onmogelijkheid om de kosten van een contra-expertise te dragen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voor risico van de vreemdeling worden gelaten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2007, LJN BA2832). In het licht van het voorgaande kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden gezegd dat betrokkene over ruimte beschikt voor de afweging of hij de kosten van een contra-expertise al dan niet wenst te maken.

5.8. Gelet op hetgeen onder 5.5 tot en met 5.7 is overwogen is de Raad van oordeel dat de kosten van de contra-expertise als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 dan ook terecht vernietigd wegens een onjuiste toepassing van artikel 35 van de WWB.

5.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit betekent dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door appellant genomen besluit van

4 december 2008, dat geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet komt, geen verdere bespreking meer behoeft.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. van Dam.

HD