Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10-625 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Niet voldaan aan inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/625 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2009, 09/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Voor appellant is

mr. De Glas verschenen. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 19 november 2008 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant opgegeven bij zijn ouders te wonen op het adres aan de [adres 1] te [gemeente]. Appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 6 januari 2009 bij de Dienst Werk & Inkomen. Blijkens een rapportage van 8 januari 2009 van een rapporteur van het Bureau Handhaving is deze afspraak door de vader van appellant op 5 januari 2009 afgebeld, omdat appellant eerst de volgende dag uit Frankrijk zou terugkomen. In het kader van het standaardtraject bij een aanvraag is op 7 januari 2009 getracht een huisbezoek af te leggen. Uit de hiervoor genoemde rapportage blijkt dat appellant niet thuis was, en dat om die reden het huisbezoek niet heeft plaatsgevonden. Appellant is vervolgens uitgenodigd voor een intakegesprek op 13 januari 2009 om 9.00 uur. Omdat er twijfels bestonden omtrent de woonsituatie van appellant, is voorafgaand aan dat gesprek door een medewerker van het Bureau Handhaving in de directe omgeving van het opgegeven woonadres gepost, waarbij is vastgesteld dat appellant niet vanaf dat adres is vertrokken. Volgens een rapportage van 16 januari 2009 van het Bureau Handhaving kwam tijdens het gesprek naar voren dat appellant geen sleutel had van de ouderlijke woning en dat appellant 1 á 2 nachten per week bij zijn vriendin slaapt. Daarop is appellant verzocht om aansluitend aan het gesprek mee te werken aan een huisbezoek. Appellant heeft daarin toegestemd, waarbij hij heeft opgemerkt dat er altijd wel iemand thuis zou zijn, zodat het niet hebben van een huissleutel weinig problemen zou opleveren. Bij de woning aangekomen werd niemand thuisgetroffen. Op het verzoek van appellant om te wachten op zijn broer die ongeveer een uur later uit school zou thuiskomen, zijn de rapporteur en de klantmanager niet ingegaan.

1.2. De bevindingen, zoals neergelegd in de beide hiervoor genoemde rapportages, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 19 januari 2009 de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat appellant niet voldoende heeft meegewerkt aan een door het College voorgenomen huisbezoek waardoor dat huisbezoek niet kon plaatsvinden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 14 april 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 april 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het College redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid van hetgeen appellant had verklaard over zijn woon- en leefsituatie, dat sprake was van een redelijke grond voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op 13 januari 2009, en dat appellant dit huisbezoek door zijn handelwijze, althans door hem aan te rekenen omstandigheden onmogelijk heeft gemaakt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. Hij heeft met name tegengesproken dat het ontbreken van een huissleutel en de afwezigheid van zijn moeder omstandigheden zijn die in zijn risicosfeer liggen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant op 13 januari 2009 heeft willen meewerken aan het plaatsvinden van een door de sociale dienst noodzakelijk geacht huisbezoek onmiddellijk na afloop van het intakegesprek. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat dit huisbezoek vervolgens, op dat moment, feitelijk niet kon plaatsvinden. De Raad heeft reeds eerder uitgesproken (zie bijvoorbeeld de - ook door de rechtbank aangehaalde - uitspraak van 18 september 2007, LJN BB4828) dat, indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, het in de risicosfeer van de betrokkene ligt indien dat huisbezoek niet mogelijk is. De Raad ziet in de omstandigheden van dit geval geen grond om daarover in deze zaak anders te oordelen. Er is immers geen sprake van overmacht of van een andere bijzondere omstandigheid. Het gaat hier om omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van de normale, dagelijkse toegankelijkheid van de eigen woonruimte. De voorafgaand aan het huisbezoek bestaande - en ook naar het oordeel van de Raad, gelet op de onder 1.1 beschreven feiten, gerechtvaardigde - twijfel aan de juistheid van hetgeen appellant over zijn woonsituatie had verklaard, kon daardoor niet worden weggenomen.

4.2. De Raad komt dan ook evenals de rechtbank tot de conclusie dat appellant - in strijd met artikel 17, eerste lid en tweede lid, van de WWB - niet heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand ten tijde van de in geding zijnde aanvraag niet kon worden vastgesteld.

4.3. Aan het voorgaande doet niet af - reeds gelet op het tijdsverloop - dat naar aanleiding van een nieuwe aanvraag aan appellant met ingang van 5 maart 2009 bijstand is toegekend, waarbij wel kon worden vastgesteld dat hij woonachtig was op het adres van zijn ouders.

4.4. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get. ) B. Bekkers.

HD