Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-6968 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Niet aannemelijk gemaakt dat appellante woonde op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6968 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 november 2009, 09/2350 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Voor appellante is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. De Roo. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 6 augustus 2008 een aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft op 6 augustus 2008 een gesprek met appellante plaatsgevonden op het kantoor van de sociale dienst. Appellante heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij woont op het adres [adres 1] te [gemeente], op welk adres zij vanaf 16 juli 2008 staat ingeschreven in de GBA. Zij heeft tevens een huurovereenkomst getoond voor de huur van een kamer op dat adres met ingang van 20 juli 2008, waarin als eigenaar van het betreffende pand wordt genoemd de heer [A.]. Aansluitend aan het gesprek hebben twee medewerkers van de sociale dienst een bezoek aan de woning op het hiervoor genoemde adres afgelegd. Tijdens het gesprek en tijdens het huisbezoek werd appellante bijgestaan door [A.] [N.].

1.2. Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat, anders dan appellante had opgegeven, bij het bezoek aan de woning op het door appellante opgegeven adres is geconstateerd dat appellante daar niet woont, zodat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Aan appellante is, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, bijstand toegekend met ingang van 14 augustus 2008.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het College het tegen het besluit van 11 augustus 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier ter beoordeling staande periode loopt van 6 augustus 2008 (de datum van de aanvraag) tot en met 11 augustus 2008 (de datum van het besluit op de aanvraag).

4.2. Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de besluitvorming van het College feitelijke grondslag mist. Daartoe stelt zij dat, aangezien appellante en de verhuurder ten tijde in geding nauwelijks Nederlands spraken, de medewerkers van de sociale dienst tijdens het gesprek en tijdens het huisbezoek de beschrijving van de woonsituatie respectievelijk de toelichting op de aangetroffen situatie niet goed hebben begrepen.

4.2.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om de gegeven inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht op juistheid en volledigheid te controleren.

4.2.2. Tijdens het intakegesprek met appellante hebben appellante en [N.] verklaard dat appellante een kamer huurt op het adres waarop zij in de GBA staat ingeschreven. Tevens is de woonruimte van appellante beschreven. Vervolgens zijn deze inlichtingen door de betrokkene medewerkers van de sociale dienst op juistheid gecontroleerd.

4.2.3. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij woonde op het opgegeven adres. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de medewerkers van de sociale dienst appellante en [N.] niet (helemaal) goed hebben begrepen, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de afwijzing berust op onvoldoende feitelijke grondslag. In de kamer waar appellante zei te wonen zijn tijdens het huisbezoek in het geheel geen persoonlijke zaken (post, toiletartikelen en kleding) aangetroffen. In die kamer bevonden zich slechts een kale matras en verder enkele zaken die kennelijk aan [N.] toebehoorden. In andere ruimten van de woning zijn slechts een koffer en een plastic tas van appellante aangetroffen, waarin onder meer twee poststukken afkomstig van de IND zaten. Ten slotte is geconstateerd dat de keuken nog helemaal leeg was. Gelet op deze bevindingen is niet aannemelijk dat appellante toen feitelijk al woonde op het opgegeven adres. Dat de woning ten tijde hier van belang werd opgeknapt, maakt het voorgaande niet anders. Appellante en [N.] hebben niet duidelijk gemaakt op welke wijze werd voorzien in het verblijf van appellante gedurende het opknappen van de voor haar bestemde kamer.

4.3. Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat aan haar korte tijd later, met ingang van 14 augustus 2008, bijstand is toegekend. In dat kader heeft het College wel aangenomen dat appellante woonde op het opgegeven adres. Dat brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit de gedingstukken blijkt dat die toekenning onder meer is gebaseerd op het resultaat van een nieuw huisbezoek, bij welke gelegenheid - zo is vermeld in de naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellante uitgebrachte rapportage van 17 februari 2009 - een geheel andere situatie is aangetroffen. De Raad ziet daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat het College hierin aanleiding had moeten zien de thans in geding zijnde afwijzing van de aanvraag om bijstand te herroepen.

4.4. Van de zijde van appellante is ter zitting van de Raad nog naar voren gebracht dat appellante op 6 augustus 2008 niet over meer goederen beschikte dan die welke op die datum in de woning aan de [adres 1] zijn aangetroffen. De Raad laat dat verder in het midden, omdat aan dat gegeven op zichzelf geen conclusies kunnen worden verbonden voor de feitelijke woonsituatie van dat moment.

4.5. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B. Bekkers.

IJ