Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-5330 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar door het College terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Niet aannemelijk dat appellante in het geheel niet in staat zou zijn om hulp van derden in te roepen, nu zij wel de hulp van het maatschappelijk werk had ingeroepen en zich ook heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. Beroep op art. 6 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5330 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 augustus 2009, 08-6438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het College aan appellante meegedeeld dat haar aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) niet meer in behandeling wordt genomen omdat zij niet alle benodigde gegevens heeft verstrekt. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2. Appellante heeft bij brief van 16 april 2008 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Die termijn liep af op 8 april 2008. Het College heeft het bezwaarschrift op 17 april 2008, dus na het verstrijken van de termijn, ontvangen terwijl er volgens het College geen reden was om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte heeft afgezien van het horen van appelante. Het besluit van 19 augustus 2008 komt daarmee in strijd met artikel 7:2 van de Awb. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter in stand blijven omdat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is overschreden. Het gaat in dit geding om de vraag of het College, ondanks die termijnoverschrijding, het bezwaar inhoudelijk had moeten beoordelen. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, ontkennend op grond van het navolgende.

4.2. Aangevoerd is dat appellante, toen zij de aanvraag om bijstand deed, was verwikkeld in een traumatische echtscheiding na langdurig en ernstig huiselijk geweld. Zij heeft de echtelijke woning moeten verlaten en is daardoor dakloos geworden. Zij heeft haar kinderen moeten achterlaten bij haar ex-echtgenoot. Ook heeft appellante haar eigen bedrijf moeten beëindigen waardoor er veel schulden overbleven. Door dit alles was appellante ten tijde van de aanvraag om bijstand erg in de war en heeft zij niet kunnen begrijpen wat het besluit van 26 februari 2008 inhield.

4.3. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden aangenomen dat appellante de gehele bezwaarperiode niet in staat was een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen of hulp van derden in te roepen. Dat appellante door haar psychische gesteldheid niet heeft begrepen wat de inhoud van het besluit was, is volgens de rechtbank niet nader onderbouwd. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank en voegt daaraan het volgende toe.

4.4. In een brief van haar maatschappelijk werkster van 25 april 2008 wordt vermeld dat appellante zich bij aanmelding bij het Algemeen Maatschappelijk Werk in een deplorabele psychische toestand bevond. De Raad is evenwel van oordeel dat uit die brief niet blijkt dat die situatie zich ook voordeed tijdens de bezwaartermijn. De aanmelding bij het maatschappelijk werk vond plaats in september 2007, waarna is begonnen met het verlenen van hulp en ondersteuning gericht op het versterken van de zelfredzaamheid van appellante enerzijds en praktische ondersteuning anderzijds. Niet valt in te zien dat appellante zich tijdens de bezwaartermijn, die liep van 27 februari 2008 tot en met 8 april 2008, niet had kunnen wenden tot haar maatschappelijk werkster met het besluit van 26 februari 2008 om te vragen wat zij daarmee moest doen. Dat appellante in het geheel niet in staat zou zijn om hulp van derden in te roepen is niet aannemelijk, nu zij wel de hulp van het maatschappelijk werk had ingeroepen en zich ook heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand.

4.5. Appellante heeft zich beroepen op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door het vasthouden aan een formele rechtsregel, zoals in dit geval de bezwaartermijn, worden volgens appellante de belangen van de rechtzoekende geschonden. In zoverre zou sprake zijn van een in verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) zogenoemd “formalisme excessif”. Daarbij is met name verwezen naar de uitspraken van het EHRM van 20 juli 2004 (lees: 20 april 2004) in de zaak van Bulena tegen de Republiek Tsjechië en van 25 augustus 2004 (lees: 25 mei 2004) in de zaak Kadlec tegen de Republiek Tsjechië. Het College had de individuele omstandigheden van het geval en de belangen van appellante moeten afwegen. Voor appellante gaat het om een zwaarwegend belang, namelijk de aanspraak op voorziening in haar minimumbestaansbehoeften. Gewezen is op een rapport van de Inspectie werk en inkomen (hierna: de Inspectie) met de titel “Buiten de bijstand”. Uit het onderzoek van de Inspectie blijkt dat buiten behandelingstelling of afwijzing van de aanvraag om bijstand mensen betreft die om uiteenlopende redenen niet in staat zijn om de gewenste informatie te leveren of om op tijd op een afspraak te komen. Het gaat daarbij vaak om mensen die psychische klachten hebben, verslaafd zijn of ernstig ziek. Uit het onderzoek is gebleken dat gemeenten niet altijd rekening houden met de bijzondere problematiek van deze mensen.

4.6. De Raad begrijpt deze beroepsgrond zo dat bedoeld is dat het College, ook bij een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, de belangen van appellante bij een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift zou moeten afwegen tegen het belang van het College om vast te houden aan het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2006, LJN: AY4097, gaat het bij een niet-verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar om een geheel andere situatie dan in de zaken Kadlec en Bulena en uit de rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar op de grond dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, op zichzelf getuigt van “un formalisme excessif”. Het College heeft in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat de bezwaartermijn een wettelijke termijn is die niet door het College kan worden verlengd.

4.7. Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

HD