Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
09-2545 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. De onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven. Schending inlichtingenverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2545 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2009, 08/3040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. M.A. van Hoof, advocaat te Opperdoes, heeft namens appellant nadere gronden ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf 23 oktober 2000 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB),.

1.2. Naar aanleiding van een telefonische melding op 4 april 2006 dat appellant bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met een viertal handelsnamen, waaronder [handelsnaam 1], heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit een aanvullend gesprek met de tipgever en een gesprek met appellant op 27 juni 2006. In het kader van dit rechtmatigheidsonderzoek is op 17 mei 2006 een rapport en op 30 juni 2006 een aanvullend rapport opgemaakt, waarna het onderzoek is overgedragen aan de sociale recherche. De sociale recherche heeft een opsporingsonderzoek verricht, onder meer bestaande uit het horen van getuigen en het verhoor van appellant op 23 en 24 mei 2007 en 5 juni 2007. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een op 26 juli 2007 opgemaakt proces-verbaal.

1.3. Nadat het recht op bijstand van appellant in eerste instantie met ingang van 15 juni 2006 was opgeschort, heeft het College bij besluit van 18 september 2006 de bijstand met ingang van 1 juni 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Op basis van de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche heeft het College bij besluit van 7 augustus 2007 de bijstand van appellant over de periode van 4 april 2004 tot en met 31 mei 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 26.202,41 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2007 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat appellant vanaf 4 april 2004 bedrijfsmatige werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft verworven, waarvan hij aan het College geen opgave heeft gedaan en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode van 4 april 2004 tot en met 31 mei 2006 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij vanaf april 2004 in relevante mate, anders dan in oriënterende zin, als ondernemer werkzaam is geweest en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Appellant en A.N. [C.] (hierna: [C.]) hebben onder de naam [handelsnaam 1] voor één klant gewerkt en de opdracht daarvoor is op 7 maart 2005 getekend. De daadwerkelijke werkzaamheden voor die klant zijn pas eind 2005 verricht, hetgeen mede blijkt uit de overgelegde bankafschriften van appellant, die vanaf oktober 2005 transacties laten zien. Voorts wijst appellant erop dat de financiële stukken van het bedrijf, zoals balansen, resultatenrekeningen en het grootboek, en een belastingaangifte in concept zijn opgesteld en dat die, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, niet compleet en onvoldoende controleerbaar zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksresultaten voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant vanaf 4 april 2004 bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht. In de aanhef van de voorlopige samenwerkingsovereenkomst tussen appellant en [C.], opgesteld op 3 maart 2005, is vermeld dat zij sinds een jaar samenwerken onder de naam [handelsnaam 1] op het gebied van interieurarchitectuur, uitvoering en aanverwante zaken. [C.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat deze samenwerkingsovereenkomst is opgemaakt op 4 april 2005. Voorts heeft appellant bij verschillende gelegenheden verklaard dat hij begin 2004 met [C.] is gaan samenwerken. In dit verband wijst de Raad op de verklaring die appellant op 27 juni 2006 in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek heeft afgelegd, de verklaring die hij op 23 mei 2007 tijdens het verhoor tegenover twee sociaal rechercheurs heeft afgelegd en, zoals besproken ter zitting van de Raad, de aangifte die appellant bij de politie op 28 oktober 2006 heeft gedaan terzake van smaad c.q. laster. Tijdens zijn verhoor heeft appellant verklaard dat hij met [C.] in 2004 een modebeurs heeft bezocht, hetgeen eind 2004 heeft geleid tot een klus om voor een groothandel in kleding een showroom te maken die voor € 12.000,-- is aangenomen. De door appellant ingeleverde concept-winst- en verliesrekening 2004 van [handelsnaam 1] vermeldt een behaalde omzet van € 26.524,--. Gelet op deze gegevens kan de Raad het standpunt van appellant dat hij pas in de loop van 2005 werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten, niet onderschrijven. De omstandigheid dat deze winst- en verliesrekening in conceptvorm is ingeleverd en de onderliggende stukken ontbreken doet naar het oordeel van de Raad aan de betekenis niet af, omdat valt aan te nemen dat het bedrag aan omzet is afgeleid uit de administratie van het bedrijf. Daarbij merkt de Raad op dat het onder deze omstandigheden op de weg van appellant had gelegen om een definitieve winst- en verliesrekening 2004 te maken dan wel aannemelijk te maken dat het bedrijf in dat jaar geen dan wel een aannemelijk lager omzet heeft behaald en daarin is appellant niet geslaagd. Aangezien, zoals appellant heeft verklaard, de werkzaamheden van [handelsnaam 1] in eerste instantie op naam van [C.] werden verricht en ook de financiën op haar naam stonden, is niet van belang dat de afschriften van de bankrekening van appellant eerst vanaf oktober 2005 transacties laten zien die verband houden met het bedrijf.

4.2. De Raad acht aannemelijk dat, zoals appellant stelt, voorafgaande aan de start van het bedrijf [handelsnaam 1] een oriënterende fase vooraf is gegaan, maar niet aannemelijk, mede gelet op de verklaringen van appellant over het tijdstip waarop het bedrijf is gestart, dat het bedrijf vanaf 4 april 2004 nog in die fase verkeerde. Daarbij merkt de Raad op dat het bouwen van een website voor het bedrijf, zoals appellant voor [handelsnaam 1] heeft gedaan, acquisitie en de deelname van [handelsnaam 1] aan de beurs Shop! NL in de Jaarbeurs in Utrecht in 2004 behoren tot de normale, reguliere activiteiten van een zelfstandige.

4.3. De Raad onderschrijft derhalve het standpunt van het College dat appellant in de periode van 4 april 2004 tot en met 31 mei 2006 in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichtingen geen opgave heeft gedaan van zijn bedrijfsmatige activiteiten en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en ja zo in welke mate, appellant nog recht op bijstand heeft in die periode. Derhalve was het College onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode in te trekken. Appellant heeft de wijze van uitoefening van die bevoegdheid niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD