Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
10-5779 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Het College was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de kosten van de over de maanden augustus en september 2008 aan appellant verleende bijstand terug te vorderen. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5779 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2010, 10/1255 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van zijn arbeidsre-integratie volgde appellant een traject bij MKB Amsterdam. Begin juli 2008 bleek dat hij kon gaan werken in het bedrijf van een kennis van hem in Alkmaar. Volgens het re-integratiebedrijf zou appellant zijn uitkering kunnen behouden. Dit is doorgegeven aan de Dienst werk en inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam. Door de DWI is dat toen geaccepteerd. Nadien is gebleken dat appellant over de maanden augustus en september 2008 loon heeft ontvangen dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.2. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het College appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 augustus 2008 geen recht meer heeft op een uitkering. Daaraan is ten grondslag is gelegd dat appellant vanaf 1 augustus 2008 een inkomen heeft dat hoger is dan de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Onderaan het besluit is vermeld dat het gaat om een intrekkingsbesluit en dat de intrekking is gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de WWB.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de aan appellant over de maanden augustus en september 2008 verleende bijstand tot een bedrag van € 2.658,26 bruto van hem teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 4 februari 2010, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat van hem een bedrag van € 1.700,74 netto wordt teruggevorderd. Daarbij is overwogen dat appellant is afgegaan op de mededeling van het re-integratiebedrijf dat hij zijn uitkering zou kunnen behouden. Deze mededeling was onjuist en het is ook niet aan het re-integratiebedrijf maar aan DWI om daarover te beslissen. Appellant treft echter geen verwijt. Onder vermelding dat de grond voor intrekking ambtshalve wordt gewijzigd in een intrekking op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft het College daarom met toepassing van artikel 6.1, tweede lid, van de Beleidsregels WWB de terugvordering beperkt tot een netto- in plaats van een brutobedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 februari 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het loon van appellant over de maanden augustus en september 2008 moet worden aangemerkt als naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Omdat appellant met deze middelen vanaf 1 augustus 2008 beschikte over een inkomen dat hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm was het College volgens de rechtbank bevoegd op grond van die bepaling de over de periode van 1 augustus tot en met 30 september 2008 betaalde bijstand van appellant terug te vorderen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat er in redelijkheid geen enkele terugvordering mag plaatsvinden. Niet alleen is aan hem toegezegd dat hij met behoud van uitkering kon gaan werken, maar hij heeft feitelijk van zijn werkzaamheden ook geen inkomsten overgehouden. De werkzaamheden hebben hem voor aanzienlijke onkosten geplaatst die hij zelf moest betalen. Volgens appellant is de rechtbank daar ten onrechte niet op ingegaan. Niet valt in te zien waarom in de heropende bezwaarprocedure wel de bruto/netto terugvordering ter discussie heeft kunnen staan en besloten kon worden om het terug te vorderen bedrag te verlagen vanwege de gedane toezeggingen, maar niet zou kunnen worden ingegaan op de kostendiscussie. Zijn bezwaar heeft duidelijk de strekking gehad dat zowel de intrekking als de terugvordering moest worden herzien en als zodanig is het bezwaar ook behandeld. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij geen aflossingscapaciteit heeft en dat de terugvordering voor hem ernstige medische gevolgen en/of terugval kan veroorzaken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een grond die het College niet aan het besluit van 4 februari 2010 ten grondslag heeft gelegd. Zoals de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft bevestigd is in dat besluit aan de terugvordering artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft echter beoordeeld of de terugvordering op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kon en mocht worden gebaseerd. Daarmee heeft de rechtbank in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het beroep tegen het besluit van 4 februari 2010 beoordelen.

4.2. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het College met het besluit van 4 februari 2010 niet heeft beoogd het besluit van 14 oktober 2008 te wijzigen. Gelet op de toelichting van de gemachtigde van het College ter zitting begrijpt de Raad de zinsnede in het besluit van 4 februari 2010 dat de intrekking op een andere grond wordt gebaseerd aldus dat het College zich nader op het standpunt heeft gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat zo’n geval op één lijn gesteld moet worden met de in artikel 6.1, tweede lid, van de Beleidsregels WWB genoemde gevallen waarin van bruto terugvordering wordt afgezien.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 14 oktober 2008. Gemachtigde van appellant heeft dit ter zitting van de rechtbank desgevraagd bevestigd. Dat betekent dat het besluit van 14 oktober 2008 in rechte onaantastbaar is geworden. De Raad dient er in deze procedure derhalve van uit te gaan dat de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2008 is ingetrokken. Daaraan doet niet af dat gemachtigde van appellant ervan is uitgegaan dat het besluit van 14 oktober 2008 geen intrekking, maar een blokkering van de uitkering inhield. De Raad wijst erop dat in dit besluit is vermeld dat appellant met ingang van 1 augustus 2008 geen recht meer heeft op een uitkering en dat het om een intrekkingsbesluit gaat.

4.4. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden die op de intrekking van de bijstand zien, zoals het beroep op de toezegging die is gedaan en de vaststelling van de hoogte van het inkomen, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Overigens wijst de Raad erop dat ingevolge zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 20 februari 2007, LJN AZ9200) verwervingskosten niet op het inkomen in mindering mogen worden gebracht, zodat de daarop betrekking hebbende beroepsgrond geen doel zou treffen.

4.5. Gegeven de in rechte vaststaande intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2008, was het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de kosten van de over de maanden augustus en september 2008 aan appellant verleende bijstand van hem terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de Beleidsregels WWB. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare consequenties heeft. De door hem gestelde gevolgen van de terugvordering voor zijn gezondheid heeft appellant niet onderbouwd. Met betrekking tot het door appellant gestelde gebrek aan aflossingscapaciteit merkt de Raad op dat appellant bij de invordering van het teruggevorderde bedrag de bescherming heeft, of deze kan inroepen, van de regels omtrent de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van deze beleidsregels had moeten afwijken.

4.6. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het beroep tegen het besluit 4 februari 2010 ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

HD