Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
10-6309 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld, aangezien onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, het vermogen het vrij te laten vermogen heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6309 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 september 2010, 09/744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie), thans Drechtstedenbestuur

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Drechtstedenbestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de WWB uit die voorheen door de Bestuurscommissie werden uitgeoefend.

Namens appellante heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Drechtstedenbestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Juchter van Bergen Quast. Het Drechtstedenbestuur heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 5 september 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding door een uitzendbureau inhoudende dat appellante naast de bij de Bestuurscommissie bekend zijnde bankrekening met nummer [nr. 1] een niet opgegeven bankrekening met het nummer [nr. 2] op haar naam heeft staan, heeft de Bestuurscommissie een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is gebleken dat, ten tijde hier van belang, tenminste zes andere bankrekeningen op naam van appellante en vijf bankrekeningen op naam van haar kinderen staan. Daarvan heeft appellante aan de Bestuurscommissie geen mededeling gedaan. De Bestuurscommissie heeft appellante meerdere keren verzocht afschriften van alle bankrekeningen over de periode vanaf 1 april 2008 over te leggen en heeft haar in de gelegenheid gesteld over deze rekeningen nader te verklaren. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 december 2008.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor de Bestuurscommissie aanleiding geweest om bij besluit van 24 december 2008 de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2008 te beëindigen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaarschrift ingediend.

1.4. Bij besluit van 19 maart 2009 heeft de Bestuurscommissie de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2008 ingetrokken en de over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 november 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.335,89 van haar teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante over deze periode onvoldoende informatie heeft verstrekt over haar bankrekeningen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.5. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de Bestuurscommissie het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank is met de Bestuurscommissie van oordeel dat appellante over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 november 2008 geen recht had op bijstand, omdat appellante gedurende deze periode beschikte over een vermogen dat hoger was dan de hier van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft met name aangevoerd dat haar bankrekening alleen heeft gefungeerd als tussenrekening voor haar ex-echtgenoot, [naam ex-echtgenoot], die in het buitenland (Angola) werkzaam was en wiens looninkomsten door zijn werkgever via Western Union werden doorgestuurd. Appellante stelt niet beschikkingsbevoegd te zijn ten aanzien van de betreffende banktegoeden omdat deze gelden aan [ex-echtgenoot] toebehoren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op een door de bestuurscommissie aan het besluit van 26 mei 2009 ten grondslag gelegde grond. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 9 februari 2011, LJN BP5028) verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen, en beoordelen of het besluit van 26 mei 2009 stand kan houden op de door de Bestuurscommissie gehanteerde grondslag.

4.2. De Raad stelt voorop dat nu, appellante tegen het besluit van 24 december 2008 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, dit besluit in rechte vaststaat.

4.3. Voorts stelt de Raad vast dat de Bestuurscommissie in zijn besluit van 19 maart 2008 de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in beginsel de periode van 1 april 2008 tot en met de datum van het primaire besluit. Nu de bijstand al per 1 december 2008 was beëindigd, dient hier beoordeeld te worden de periode van 1 april 2008 tot en met 30 november 2008.

4.4. Niet in geschil is dat appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door de Bestuurscommissie geen mededeling te doen van de vele bankrekeningen die ten tijde hier van belang op haar naam en op die van haar kinderen stonden, noch van de saldi op die rekeningen en evenmin van de transacties die hebben plaatsgevonden. Vaststaat - onder meer - dat op 1 april 2008 een tegoed van totaal € 18.653,87 op de bankrekeningen ten name van appellante stond, dat op 15 tot en met 18 juli 2008 van die rekeningen diverse bedragen zijn opgenomen tot een totaalbedrag van ongeveer € 14.000,--, en dat tot 1 december 2008 meerdere bankrekeningen op naam van appellante actief waren.

4.5. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of kon beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft haar stelling dat de tegoeden op de verzwegen bankrekeningen niet of niet ten volle tot haar vermogen gerekend kunnen worden omdat deze aan [ex-echtgenoot] toebehoorden, op geen enkele wijze aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Om dezelfde reden kan aan de schriftelijke verklaring van [ex-echtgenoot] van 10 juni 2009 over de met appellante gemaakte afspraken over het bewaren van zijn geld geen zwaarwegende betekenis worden toegekend. De Raad neemt in dit verband verder in aanmerking dat appellante niet duidelijk heeft kunnen maken - ook niet ter zitting van de Raad - waarom, gegeven haar standpunt dat het om gelden van [ex-echtgenoot] ging, uitsluitend zij en niet tevens [ex-echtgenoot] gerechtigd was tot het verrichten van transacties met betrekking tot de desbetreffende bankrekeningen.

4.6. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van de Bestuurscommissie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante haar het recht op bijstand over de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, aangezien onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, het vermogen gedurende de gehele periode in geding het vrij te laten vermogen heeft overschreden. De Raad neemt daarbij in aanmerking hetgeen onder 4.4 is overwogen, het grote aantal transacties en het ontbreken van afschriften van enkele bankrekeningen. Als gevolg van een en ander kan over deze periode niet steeds exact kan worden bepaald hoe hoog de diverse saldi op de bankrekeningen waren.

4.7. Gelet op het voorgaande was de Bestuurscommissie dan ook bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 november 2008 in te trekken. Appellante heeft de wijze van uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden.

4.8. Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden naar voren gebracht.

4.9. De overwegingen onder 4.4 tot en met 4.8 leiden ertoe dat het beroep tegen het besluit van 26 mei 2009 ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet, gelet op onderdeel 4.1, aanleiding om het Drechtstedenbestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 mei 2009 ongegrond;

Veroordeelt het Drechtstedenbestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat het Drechtstedenbestuur aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B. Bekkers.

HD