Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
09-6526 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om nabetaling. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6526 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2009, 09/864 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.H. van Moerkerk, werkzaam bij de gemeente Overbetuwe.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 19 november 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en

bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Over de maanden januari 2007 tot en met mei 2007 is op de bijstandsuitkering van appellante € 203,60 per maand en over de maand juni 2007 € 200,-- in mindering gebracht in verband met ontvangen kinderalimentatie. Met ingang van 1 juli 2007 wordt op de bijstand van appellante geen alimentatie in mindering gebracht omdat haar voormalige echtgenoot op 20 juni 2007 is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Tijdens een gesprek op 13 juni 2007 met haar consulente bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Overbetuwe heeft appellante verklaard dat zij vanaf januari 2007 niet de alimentatie heeft ontvangen waarop zij recht heeft. Op 20 juni 2007 heeft appellante aan de hand van bankafschriften twee betalingen aan alimentatie aangetoond en verklaard dat de rest contant is betaald. Daarbij heeft zij verzocht om nabetaling van bijstand. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het College bepaald dat over de periode vanaf januari 2007 geen nabetaling van bijstand in verband met teveel gekorte alimentatie plaatsvindt, omdat appellante de alimentatie grotendeels contant heeft ontvangen en dat daardoor niet voldoende bewijs bestaat om een nabetaling te doen.

1.3. Op verzoek van appellante tot overname van de inning van de kinderalimentatie heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) onderzoek verricht en appellante bij brief van 18 januari 2008 bericht dat haar voormalige echtgenoot over de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juni 2007 nog een bedrag van € 881,93 aan kinderalimentatie verschuldigd is. Naar aanleiding van deze brief heeft appellante het College op 15 juli 2008 verzocht het bedrag van deze vordering aan haar na te betalen. Bij besluit van 16 juli 2008, nader toegelicht bij brief van 25 juli 2008, heeft het College het verzoek van appellante afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestaat het onder 1.2 genoemde besluit van 27 juni 2007 te herzien omdat op de bijstand van appellante de alimentatie is ingehouden die zij daadwerkelijk heeft ontvangen. Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het College het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

6 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft uitsluitend aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar bijzondere situatie, welke een afwijking van de algemene regel rechtvaardigt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 27 juni 2007 in rechte onaantastbaar is geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellante van 15 juli 2008 strekt ertoe dat het College van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het College de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellante ter onderbouwing van haar verzoek heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De inhoud van de brief van het LBIO van 18 januari 2008 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit deze brief geenszins kan worden afgeleid dat op de bijstandsuitkering van appellante een hoger bedrag aan alimentatie in mindering is gebracht dan zij feitelijk heeft ontvangen. Appellante heeft ook niet, zoals aangekondigd in de brief van 8 januari 2010, documenten van de gemeente Overbetuwe en haar bewindvoerder overgelegd, die volgens haar cruciaal zijn voor het onderbouwen van haar standpunt. De opvatting van appellante dat onvoldoende rekening is gehouden met haar bijzondere situatie, die een afwijking van de algemene regel rechtvaardigt, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD