Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
10-708 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellante heeft niet bij het College gemeld dat zij niet haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/708 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2009, 09/4314 en 09/5181 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P. Klokkers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Namens appellante is

mr. Klokkers verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 6 januari 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft bij het College opgegeven te wonen op het [adres 1] te [gemeente] (hierna: uitkeringsadres). Het College heeft appellante toestemming verleend voor een verblijf in het buitenland met behoud van uitkering van 3 april 2009 tot en met 2 juli 2009.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellante in het buitenland verblijft en haar woning verhuurt aan drie Ghanezen voor € 700,-- per maand is door de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft appellante op 4 augustus 2009 ten kantore van DWI een verklaring afgelegd, heeft aansluitend een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres en heeft appellante een verklaring afgelegd over de tijdens het huisbezoek aangetroffen situatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 augustus 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 11 september 2009 de bijstand van appellante met ingang van 4 augustus 2009 in te trekken.

1.3. Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 11 september 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft is ten grondslag gelegd dat appellante niet bij het College heeft gemeld dat zij niet haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand vanaf 4 augustus 2009 niet worden vastgesteld. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond is verklaard. Zij heeft primair aangevoerd dat van een ‘informed consent’ voor het afleggen van een huisbezoek geen sprake is geweest. Zij heeft weliswaar het formulier ‘Toestemming huisbezoek’ ondertekend, maar niet goed begrepen wat zij ondertekende. Aan haar is meegedeeld dat, indien ze niet zou meewerken, de uitkering zou worden gestopt. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat de bevindingen van het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat zij niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Indien, zoals in dit geval tussen partijen in confesso is, een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.2. Uit het rapport van 5 augustus 2009 blijkt dat de handhavingspecialisten tijdens het gesprek met appellante op het kantoor van DWI het formulier ‘Toestemming huisbezoek’ hebben besproken en dat dit formulier door appellante is ondertekend. Het gesprek heeft op verzoek van appellante plaatsgevonden in de Engelse taal. Op het door appellante ondertekende formulier ‘Toestemming huisbezoek’ is de vraag of aan haar is uitgelegd dat DWI haar onder andere bezoekt om te controleren of de door haar verstrekte informatie over haar woon- en leefsituatie juist en volledig is, met “ ja” beantwoord. Appellante heeft ook de vraag of aan haar is uitgelegd dat het niet verlenen van toestemming voor het afleggen van dit huisbezoek niet zal leiden tot afwijzing van de aanvraag om bijstand dan wel stoppen van de bijstand, bevestigend beantwoord. Uit het rapport van 5 augustus 2009 blijkt verder dat appellante desgevraagd heeft bevestigd het besprokene goed te hebben begrepen. De handhavingspecialisten zijn vervolgens met appellante meegelopen naar de woning op het uitkeringsadres en hebben voor het binnentreden van de woning wederom toestemming van appellante gekregen om binnen te komen.

4.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van wat in het rapport van 5 augustus 2009 is vermeld over de door appellante verleende toestemming voor het huisbezoek. Appellante heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Dat betekent dat de beroepsgrond dat van een ‘informed consent’ voor het huisbezoek van 4 augustus 2009 geen sprake is geweest, geen doel treft.

4.4. Met de rechtbank en anders dan appellante is de Raad voorts van oordeel dat de door appellante afgelegde verklaringen en de bevindingen tijdens het huisbezoek een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 4 augustus 2009 tot en met

11 september 2009, niet op het uitkeringsadres woonachtig was. De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan het gegeven dat in de woning nauwelijks persoonlijke spullen en geen post van appellante zijn aangetroffen, terwijl in de woning wel diverse kledingstukken, documenten, correspondentie en andere persoonlijke spullen van derden zijn aangetroffen. Appellante heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven toen aan haar vragen werden gesteld over de tijdens het huisbezoek aangetroffen situatie. Aan de achteraf gegeven verklaring van appellante, die inhoudt dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen post afkomstig is van twee vriendinnen die op een ander adres wonen, dat het aangetroffen paspoort toebehoort aan een vriend van haar zoon die tijdens haar verblijf in het buitenland tijdelijk in haar woning verbleef en dat zij tijdens het huisbezoek geen eigen administratie kon tonen omdat die door haar zoon wordt beheerd, kent de Raad niet de waarde toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien. De Raad acht verder van belang dat de beschrijving die appellante op het kantoor van DWI heeft gegeven van de woonkamer en de keuken niet overeenkwam met de tijdens het huisbezoek aangetroffen situatie.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en

E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD