Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
09/5542 WWB + 09/5546 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellanten in de periode in geding hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. Ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg is voldaan. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5542 WWB

09/5546 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2009, 08/1526 en 08/1527 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011. Voor appellanten is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. de Jong, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 2 december 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Appellante en appellant stonden in de periode van 26 april 2002 tot 1 januari 2004 samen ingeschreven op het adres [adres 1] te [gemeente]. Appellante heeft op 12 januari 2004 het College geïnformeerd dat haar samenwoning met appellant per 2 december 2003 is beëindigd. Appellante is blijven wonen op het adres [adres 1]. Appellant staat vanaf 1 januari 2004 ingeschreven met een briefadres op een bedrijfspand aan het adres [adres 2] te [gemeente]. In verband met het vermoeden dat appellant nog steeds op het adres aan de [adres 1] woonachtig is, is door de Afdeling Handhaving van de gemeente Leeuwarden een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand, waarbij onder meer in de periode van 27 december 2006 tot 4 januari 2007 waarnemingen zijn verricht. Naar aanleiding van dit onderzoek is door de sociale recherche Fryslân een vervolgonderzoek ingesteld. In dat kader hebben in de periode van 19 november 2007 tot en met 16 december 2007 observaties plaatsgevonden bij de woning van appellante, zijn verschillende getuigen gehoord, waaronder buurtbewoners van de Prinsessenweg en heeft appellant verklaringen afgelegd.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in rapportages van 9 januari 2007 en 2 januari 2008, heeft het College bij besluit van 8 januari 2008 de bijstand van appellante met ingang van 2 december 2003 ingetrokken. Bij dat besluit heeft het College tevens de over de periode van 2 december 2003 tot 1 januari 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 51.855,20 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij afzonderlijk besluit van 8 januari 2008 heeft het College appellant medegedeeld dat het bedrag van € 51.855,20 mede van hem wordt teruggevorderd.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 6 juni 2008 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 8 januari 2008 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant op het adres van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 6 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwisten het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres van appellante tijdens de hier te beoordelen periode. Het College heeft volgens appellanten noch het gezamenlijk hoofdverblijf noch de wederzijdse zorg aannemelijk gemaakt en zijn besluitvorming gebaseerd op onzorgvuldig (buurt)onderzoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 2 december 2003 tot 8 januari 2008.

4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet en van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of aan het eerste criterium, het hoofdverblijf in dezelfde woning, is voldaan. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat appellanten in de periode in geding hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan de waarnemingen en de observaties die hebben plaatsgevonden bij het adres van appellante in samenhang met de gedetailleerde verklaringen die door de buurtbewoners tegenover de sociale recherche zijn afgelegd. Tijdens de vijf waarnemingen, is vier maal de auto van appellant in de nabijheid van de woning van appellante aangetroffen en tijdens de 28 dagen dat observaties hebben plaatsgevonden, is op drie dagen na op alle dagen de auto van appellant in de nabijheid van de woning van appellante aangetroffen. De naaste buurvrouw van appellante heeft op 12 december 2007 verklaard dat appellant sinds eind 2003/begin 2004 bij appellante woont, welke verklaring ondersteund wordt door de op 17 december 2007 afgelegde verklaringen van de bewoners van Prinsessenweg 32 en 40-b. Voorts stelt de Raad vast dat appellant onduidelijke en niet verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over waar hij gedurende de periode in geding feitelijk zijn woonadres had.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg is voldaan. Daartoe acht de Raad van belang dat appellant heeft verklaard dat hij appellante in allerlei zaken ondersteunt, dat zij samen vakanties hebben doorgebracht, dat appellant de schotelantenne in de woning van appellante heeft betaald, dat appellant zorgt voor open haard hout voor appellante, dat appellante regelmatig zijn auto gebruikt en vervolgens dat appellante weleens boodschappen doet voor appellant en dat ze ook wel samen boodschappen doen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen opgave heeft gedaan dat zij in de periode in geding met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Dit betekent dat appellante in de periode in geding niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Daarom was het College onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 2 december 2003 in te trekken. Tegen de wijze waarop het College van deze bevoegdheid tot intrekking gebruikt heeft gemaakt, hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5 was het College onder toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand over de te beoordelen periode van appellante terug te vorderen respectievelijk van appellant mede terug te vorderen. Appellanten hebben de wijze waarop het College gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden tot terugvordering en medeterugvordering niet bestreden.

4.7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK