Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
10-2221 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Appellant heeft tijdens zijn werkzaamheden van vrijwillig politieambtenaar oneigenlijk gebruik gemaakt van informatie uit de politiesystemen. Onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat er op het moment van het ontslag sprake was van een verstoorde werkrelatie die niet meer hersteld kon worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2221 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2010, 08/4516, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.P. Wasscher, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp, juridisch adviseur te Driehuizen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1977 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, laatst als medewerker Technisch Beheer bij de dienst Advies en Beheer van de gemeente Amsterdam. Daarnaast was hij vanaf 1991 vrijwillig politieambtenaar bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, laatst in de rang van [naam rang].

1.2. Uit een oriënterend feitenonderzoek door de politieregio Amsterdam-Amstelland is in het voorjaar van 2007 naar voren gekomen dat appellant tijdens zijn werkzaamheden van vrijwillig politieambtenaar oneigenlijk gebruik had gemaakt van informatie uit de politiesystemen. Met ingang van 7 mei 2007 is appellant op zijn verzoek eervol ontslag verleend uit zijn functie van vrijwillig politieambtenaar. De resultaten van het oriënterend feitenonderzoek zijn bekend gemaakt aan het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam. Daaruit bleek onder meer dat appellant gedeeltelijk op verzoek van leidinggevenden en collega’s bij de gemeente Amsterdam en gedeeltelijk op eigen initiatief, informatie had ingewonnen uit de politiesystemen, onder andere over collega’s en stagiaires bij de gemeente Amsterdam en om ten behoeve van de taken van de Dienst Parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam kentekens van auto’s te achterhalen.

1.3. Het college heeft appellant bij besluit van 30 november 2007 met ingang van 1 februari 2008 ontslag verleend, primair wegens ongeschiktheid voor zijn functie op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (hierna: ARA) en subsidiair op de grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit ontslagbesluit. Bij besluit van 1 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) is, voor zover hier van belang, het ontslag gehandhaafd op de subsidiaire grond. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in de arbeidsrelatie een impasse is opgetreden, waarin geen uitzicht meer bestond op het herstel van een vruchtbare samenwerking. Die impasse bestond er uit dat tussen appellant en leidinggevende D een onherstelbare breuk is ontstaan in de arbeidsrelatie en dat collega’s zich bedreigd voelden door appellants handelwijze. De primaire ontslaggrond heeft het college ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van artikel 1122, eerste lid aanhef en onder d, van het ARA kan het college de ambtenaar ontslaan indien naar zijn oordeel om andere reden dan bedoeld onder c het belang van de gemeente dringend eist dat de ambtenaar zijn betrekking op een andere wijze vervult.

3.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat dit artikellid geen grond voor ontslag geeft, omdat alleen wordt gesproken van het vervullen van de functie op andere wijze en niet van ontslag. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt met dit artikellid bedoeld ontslag wegens verstoorde verhoudingen of ‘incompatibiliteit’ (CRvB 23 maart 2006, LJN BJ3105). De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om nu anders te oordelen, waarbij de Raad er op wijst dat uit de aanhef van artikel 1122 ARA blijkt dat deze bepaling bevoegdheden tot ontslagverlening in het leven roept en dat de motivering van het bestreden besluit geen onduidelijkheid laat bestaan over de strekking van dat besluit. Deze grond van appellant slaagt dan ook niet.

3.3. Aan het ontslag is ten grondslag gelegd dat de leidinggevende van appellant, D, het als bijzonder grievend heeft ervaren dat appellant diens zoon, of althans een jongen van dezelfde leeftijd en met de naam van D, die was aangehouden zonder identiteitspapieren, in de politiesystemen heeft nagetrokken. Uit de gedingstukken blijkt dat D in bezwaar heeft verklaard dat het hem erg hoog zat dat appellant inbreuk heeft gemaakt op het privéleven van zijn familie. Appellant heeft toegelicht dat hij in het verleden nooit is gewaarschuwd door zijn leidinggevenden, terwijl hij ook op hun verzoek informatie uit het politiesysteem raadpleegde. Hij heeft zich gerealiseerd dat hij te ver is gegaan en is inmiddels niet meer werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

3.4. Mede in aanmerking genomen dat het college de stellingen van appellant over de rol van diens leidinggevenden niet heeft weersproken, ziet de Raad in het vorenstaande onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat er op het moment van het ontslag sprake was van een verstoorde werkrelatie die niet meer hersteld kon worden. Het nagaan door appellant in de politiesystemen van de kennelijke zoon van een collega, is op zichzelf genomen als niet integer gedrag aan te merken en dat die collega zich daardoor in zijn privéleven voelt aangetast, is niet onbegrijpelijk. De Raad kan echter niet inzien dat de arbeidsrelatie daardoor zodanig ernstig is verstoord dat herstel niet meer mogelijk zou zijn, zeker niet nu appellant deze informatie met niemand heeft gedeeld en zijn werk bij de politieregio heeft opgegeven. Het college heeft geen pogingen ondernomen om de werkrelatie tussen appellant en D te herstellen, terwijl naar het oordeel van de Raad onder deze omstandigheden niet op voorhand de conclusie gerechtvaardigd was dat herstel uitgesloten was. En voor zover zou blijken dat tussen appellant en D vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was, lag het op de weg van het college om te onderzoeken of appellant elders in de organisatie herplaatst kon worden. Nu het college een en ander heeft nagelaten, is de Raad van oordeel dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking.

3.5. Appellant heeft betwist dat collega’s zich bedreigd voelden door zijn handelwijze. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het college een dergelijke stellingname nader had dienen te onderbouwen door aan te duiden welke collega’s het betrof en door welke concrete gedragingen van appellant zij zich bedreigd hebben gevoeld. De enkele stelling dat collega’s zich bedreigd voelden omdat appellant kon beschikken over informatie uit de politiesystemen, is daartoe ontoereikend, te meer nu appellant niet langer bij de politie werkt. Ter zitting van de Raad heeft het college te kennen gegeven deze stelling niet te kunnen onderbouwen. De Raad is dan ook van oordeel dat niet deugdelijk is gemotiveerd dat collega’s zich bedreigd voelden door appellant en dat er daardoor sprake was van een onwerkbare situatie.

3.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van het college om het dienstverband met appellant niet voort te zetten, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering.

4. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal - voor zover aangevochten - worden vernietigd, evenals het bestreden besluit wat betreft het ontslag. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, eveneens kleeft aan het besluit van 30 november 2007 en dit gebrek, in aanmerking genomen dat acties als genoemd in 3.4 gelet op het tijdsverloop thans niet meer opportuun zijn te achten, niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen.

5. Appellant heeft tijdig verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Het college heeft echter bij het bestreden besluit, voor zover dat niet wordt vernietigd, deze kosten al vergoedt. In het vorenstaande vindt de Raad wel aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-, aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit wat betreft het ontslag gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Herroept het besluit van 30 november 2007;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.518,-.

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Treffers, als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD