Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
09/4228 MAW + 11/607 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functietoewijzing. Plaatsing als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal beleidskader Defensie (SBK) boven de sterkte (BDS). Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de commandant de bezwaren opnieuw ongegrondverklaard. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 17 van de BAFBD. In het eerste lid van dit artikel is niet alleen bepaald dat de functie in beginsel voor maximaal drie jaar wordt toegewezen, maar ook dat de duur van de functievervulling kan worden verlengd tot een maximum van vijf jaar. Appellant heeft deze mogelijkheid van verlenging ten onrechte niet bij zijn belangenafweging betrokken. Voor het overige heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant de medische situatie van betrokkene onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Appellant heeft miskend dat het re-integratietraject aan betrokkene is opgelegd als een laatste kans om zijn functioneren op peil te brengen. Aan zo'n laatste kans moet reëel inhoud kunnen worden gegeven, wil men aan het mislukken ervan rechtspositionele consequenties kunnen verbinden. Het niet met goed gevolg afronden van het re-integratietraject vanwege medische beperkingen kan niet aan betrokkene worden tegengeworpen. Ook bij het nieuwe besluit is geen draagkrachtige motivering primaire besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4228 MAW

11/607 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Commandant Luchtstrijdkrachten (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 juli 2009, 08/4671 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Op 17 juni 2010 heeft appellant een nieuw besluit genomen. Hierop heeft betrokkene gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Jagt, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij de VBM/NOV.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene, korporaal der eerste klasse bij de Koninklijke Luchtmacht, was met ingang van 1 april 2004 geplaatst op de functie van Assistant Launcher Crew Patriot (hulp-lanceerder) bij het [nummerSquadron] van de Groep Geleide Wapens.

1.2. Bij besluit van 25 april 2007 heeft appellant betrokkene per 1 april 2007 de functie toegewezen van KLU Herplaatsing Intern, met als standplaats Vredepeel - Groep Geleide Wapens De Peel.

1.3. Bij besluit van 13 juni 2007 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 juli 2007 als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal beleidskader Defensie (SBK) boven de sterkte (BDS) geplaatst.

1.4. Bij besluit van 16 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 25 april 2007 en 13 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

3. Bij het in rubriek I vermelde besluit van 17 juni 2010 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de bezwaren van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Aan het bestreden besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 17 van de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering Defensie (BAFBD) aan een militair een functie wordt toegewezen voor een periode van in beginsel drie jaar. Voor betrokkene was deze periode van drie jaar op 1 april 2007 verstreken. Dit houdt in dat hem per die datum een andere functie dient te worden toegewezen. Mede als gevolg van het feit dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voor zijn functiegroep vereiste opleidingseisen, was het niet mogelijk hem binnen zijn functiegebied een functie toe te wijzen. Om die reden is hij na drie maanden op grond van paragraaf 4.2 van het SBK als herplaatsingskandidaat aangewezen, aldus het bestreden besluit.

4.2. De rechtbank heeft overwogen dat appellant op deze wijze een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 17 van de BAFBD. In het eerste lid van dit artikel is niet alleen bepaald dat de functie in beginsel voor maximaal drie jaar wordt toegewezen, maar ook dat de duur van de functievervulling kan worden verlengd tot een maximum van vijf jaar. Volgens de rechtbank heeft appellant deze mogelijkheid van verlenging ten onrechte niet bij zijn belangenafweging betrokken.

4.3. De hiertegen door appellant gerichte beroepsgrond faalt. Ook de Raad is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat appellant de mogelijkheid van verlenging van de duur van de vervulling van de oude functie onder ogen heeft gezien. De overweging dat aan betrokkene per 1 april 2007 een andere functie “dient” te worden toegewezen, wijst er juist op dat appellant die toewijzing in het licht van de BAFBD als onvermijdelijk beschouwde. De stelling van appellant dat verlenging van de duur van de functievervulling een uitzondering op de hoofdregel betekent, en dat zo'n uitzondering niet behoeft te worden gemotiveerd, kan de Raad evenmin volgen. Mede gelet op de uitlatingen van de commandant van het [nummerSquadron] ter hoorzitting in de bezwaarfase, moet als vaststaand worden aangenomen dat de termijn van drie jaar bij collega's van betrokkene veelvuldig werd overschreden en dat ook betrokkene bij voldoende functioneren op zijn oude functie zou zijn gehandhaafd. Uit de bezwaren van betrokkene komt duidelijk naar voren dat de inzet van de bezwaarprocedure vooral was om, ondanks het verstrijken van de periode van drie jaar, de oude functie te behouden. Het had dan ook op de weg van appellant gelegen om in het bestreden besluit gemotiveerd over een mogelijke verlenging van de functievervulling te beslissen.

4.4. Voor het overige heeft de rechtbank overwogen dat appellant de medische situatie van betrokkene onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Ook hiertegen is het hoger beroep gericht.

4.5. De gedingstukken laten zien dat appellant - nadat eerdere pogingen tot re-integratie en verbetering van het functioneren van betrokkene waren vastgelopen - op 19 februari 2007 een re-integratietraject voor betrokkene heeft vastgesteld. Dit traject hield in dat betrokkene zijn theoretische en procedurele kennis zou verbeteren tot het voor de functie van hulp-lanceerder vereiste niveau. Op 16 maart 2007 zou hij een proeve van bekwaamheid voor de functie moeten afleggen in de vorm van een eindtoets. Tevens zou hij vanaf 19 maart 2007 een bewakingscursus moeten volgen, met het oog op de bewakingstaken waarmee de functie inmiddels was uitgebreid. Betrokkene is niet geslaagd voor de eindtoets en vervolgens is de cursus niet meer aan de orde gekomen. Appellant heeft hieruit afgeleid dat betrokkene niet beschikt over de basale kennis en vaardigheden voor het vervullen van enige functie binnen zijn functiegebied. Dit is de reden geweest om hem als herplaatsingskandidaat aan te merken en BDS te plaatsen.

4.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt echter tevens naar voren dat de bedrijfsarts (militair-arts) van de Militair Geneeskundige Dienst in de periode voorafgaand aan de eindtoets bij herhaling medische beperkingen bij betrokkene heeft vastgesteld. Zo heeft de militair-arts in een schriftelijk advies van 13 maart 2007 het volgen van de bewakingscursus afgeraden. In een advies van 15 maart 2007 heeft hij aangegeven dat de eindtoets niet met snelheidsverplichting kan worden afgelegd en de suggestie gedaan deze toets met een week uit te stellen. Niettemin heeft de waarnemend commandant besloten dat de eindtoets op 16 maart 2007 moest worden uitgevoerd, waarbij betrokkene zelf zou kunnen aangeven als de grens is bereikt. Dat hieraan, zoals de waarnemend commandant stelt, nader overleg met de militair-arts is voorafgegaan, vindt geen bevestiging in schriftelijke adviezen. Integendeel, op 19 maart 2007 heeft de militair-arts nog geadviseerd dat betrokkene zich van sport, klimmen en loopactiviteiten moest onthouden. In het verslag van de eindtoets is uiteengezet dat het resultaat van de theoretische test onvoldoende was en dat betrokkene tijdens de praktijktoets fysieke tekortkomingen toonde die voor alle procedures een duidelijke belemmering vormden. Hieruit kan de Raad niet anders afleiden dan dat de medische beperkingen van betrokkene van wezenlijke invloed zijn geweest op de uitkomst van de toets. Dit klemt temeer nu er aanwijzingen zijn dat betrokkene, behalve met beperkingen van fysieke aard, ook met cognitieve en concentratie-stoornissen te kampen had. De opvatting van appellant dat de oorzaak voor het niet halen van de toets niet was gelegen in de medische gesteldheid van betrokkene, is dan ook niet met de beschikbare medische gegevens te verenigen. Op dit punt moet het oordeel van de rechtbank eveneens worden onderschreven.

4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Bij het nieuwe besluit van 17 juni 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat betrokkene al geruime tijd tekortkomingen in zijn functioneren vertoonde, dat het op 19 februari 2007 vastgestelde re integratietraject geen verbetering heeft gebracht en dat de medische beperkingen niet uitsluitend de oorzaak kunnen zijn geweest van het niet behalen van de eindtoets.

5.1. De Raad is van oordeel dat appellant met deze overwegingen heeft miskend dat het re-integratietraject aan betrokkene is opgelegd als een laatste kans om zijn functioneren op peil te brengen. Aan zo'n laatste kans moet reëel inhoud kunnen worden gegeven, wil men aan het mislukken ervan rechtspositionele consequenties kunnen verbinden. Uit hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen, volgt dat het niet met goed gevolg afronden van het re-integratietraject vanwege medische beperkingen niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen. Ook bij het nieuwe besluit is dus geen draagkrachtige motivering aangedragen voor de op 25 april 2007 en 13 juni 2007 genomen primaire besluiten.

5.2. Dit laat overigens onverlet dat in de veelvuldig optredende medische beperkingen van betrokkene, en de weerslag daarvan op diens functioneren, aanleiding zou kunnen worden gevonden voor een onderzoek naar mogelijke ongeschiktheid voor de militaire dienst uit hoofde van ziekten of gebreken. Dat is echter een ander traject dan in deze zaak door appellant is gevolgd.

5.3. Het vorenstaande betekent dat het nieuwe besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten te herroepen.

6. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

Herroept de besluiten van 25 april 2007 en 13 juni 2007;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD