Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
10-1628 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een WUBO-uitkering en voorzieningen. 1) De werkbeëindiging van appellante heeft niet op grond van haar psychische oorlogsinvaliditeit plaatsgevonden. 2) Vervoer onderhouden sociale contacten. Geen aanknopingspunten dat er causaal verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van appellante en de door haar ondergane internering in de Bersiap-periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1628 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 februari 2010, kenmerk BZ9301, JZ/R70/2010, (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wubo te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit 18 september 2009 is appellante op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Met betrekking tot de lichamelijke klachten (gewrichtsklachten, hartklachten, suikerziekte en hoge bloeddruk) heeft verweerder geoordeeld dat deze klachten niet in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. Appellante is met ingang van 1 december 2008 onder meer in aanmerking gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. De door appellant gevraagde periodieke uitkering is geweigerd op de grond dat de werkbeëindiging in 1969 geen verband hield met haar oorlogsinvaliditeit. De tevens gevraagde vergoeding voor niet-gedekte medische kosten in verband met de gewrichtsklachten en een vergoeding van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten zijn geweigerd op de grond dat appellante niet op grond van haar oorlogsinvaliditeit is aangewezen op deze voorzieningen.

Het tegen het besluit van 18 september 2009 ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In beroep is namens appellante aangevoerd dat de gewrichtsklachten al sinds haar jeugd bestaan en wel in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld en dat appellante in 1969 haar werkzaamheden heeft moeten beëindigen vanwege de gewrichtsklachten, in combinatie met de psychische klachten. Met betrekking tot de vergoeding voor sociaal vervoer is naar voren gebracht dat op basis van de vastgestelde klachten en beperkingen er voldoende aanleiding is om de gevraagde voorziening wel toe te kennen. Het medisch onderzoek dat door verweerder is uitgevoerd, is volgens de gemachtigde van appellante onvoldoende deugdelijk geweest.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de gewrichtsklachten van appellante in verband kunnen worden gebracht met het ondergane oorlogsgeweld, namelijk internering tijdens de zogenoemde Bersiap-periode.

De zienswijze van verweerder dat een dergelijk verband niet aanwezig is, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een medisch onderzoek van appellante door de arts R.M.A.G. Brouns, waarbij informatie van de huisarts is betrokken. Zo is overwogen dat de huidige gewrichtsklachten van appellante berusten op artrose, een degeneratieve aandoening van de gewrichten.

4.2. In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt dat verweerder met betrekking tot de huidige gewrichtsklachten op basis van deze adviezen heeft ingenomen, voor onjuist te houden. Namens appellante is wel aangevoerd dat zij vanaf haar puberteit al last heeft van gewrichtsklachten, maar dat vindt geen bevestiging in medische gegevens. Dat brengt mee dat omtrent de aard van die klachten - en dus een eventueel causaal verband met het oorlogsgeweld - geen uitsluitsel kan worden gegeven. Bepalend is daarom geweest de wel aanwezige, meer recente medische informatie.

Werkbeëindiging

4.3. Gezien het voorgaande ziet de Raad zich vervolgens gesteld voor de vraag of appellantes werkbeëindiging in 1969 heeft plaatsgevonden op grond van haar psychische oorlogsinvaliditeit en of appellante op grond van haar oorlogsinvaliditeit in aanmerking kan worden gebracht voor een vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten.

4.4.1. Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de Wubo is voor toekenning van een periodieke uitkering onder meer vereist dat het burger-oorlogsslachtoffer ten gevolge van zijn voor de toepassing van de Wubo in aanmerking te nemen invaliditeit gedwongen is geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen

4.4.2. Uit het ten behoeve van onderhavige aanvraag opgestelde sociaal rapport komt naar voren dat appellante ten tijde van haar huwelijk in 1969 is gestopt met werken en dat zij nadien niet meer heeft gewerkt. Enerzijds omdat zij zich aan het huishouden en latere opvoeding van haar kinderen zou gaan wijden en anderzijds vanwege haar toenemende gewrichtsklachten.

4.4.3. Gezien het voorgaande kan de Raad dan ook het standpunt van verweerder dat de werkbeëindiging van appellante niet op grond van haar oorlogsinvaliditeit heeft plaatsgevonden niet voor onjuist houden.

4.4.4. De Raad ziet nog aanleiding te vermelden dat uit de namens verweerder ter zitting gegeven toelichting blijkt dat appellante in het genot is van een garantie-uitkering en dat het toekennen van een periodieke uitkering naar de minimum-grondslag voor haar niet zal leiden tot een hogere uitkering.

Vervoer onderhouden sociale contacten

4.5.1. Verweerder hanteert het uitgangspunt om pas over te gaan tot toekenning van de gevraagde voorziening indien om causale medische redenen sprake is van zodanige beperkingen dat de betrokkene niet met het openbaar vervoer (bus, metro, tram en trein) kan reizen. De Raad heeft meermalen uitgesproken deze benadering van verweerder niet als onjuist te beoordelen.

4.5.2. Overeenkomstig de onder 4.1. genoemde medische advisering heeft verweerder geoordeeld dat appellante niet vanwege haar psychische invaliditeit op deze voorziening is aangewezen. Daartoe is overwogen dat aan het niet durven reizen per openbaar vervoer geen psychische klachten in de vorm van een fobie ten grondslag liggen.

4.5.3. In de medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het oordeel van verweerder voor onjuist te houden. Zo komt uit het onderzoeksrapport van Brouns naar voren dat er bij appellante geen fobie bestaat voor het openbaar vervoer en dat de lichamelijke beperkingen de voornaamste rol spelen in het niet durven reizen per openbaar vervoer. Anders dan namens appellante ter zitting is aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad de geneeskundig adviseurs niet worden tegengeworpen dat zij geen aandacht zouden hebben besteed aan de door de arts Brouns in zijn rapport vermelde vertigo (duizeligheid). Niet alleen heeft appellante dergelijke gezondheidsklachten niet aan de aanvraag ten grondslag gelegd, maar ook in aanloop naar onderhavige procedure zijn dergelijke klachten door of namens appellante niet benoemd. De Raad ziet verder in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanknopingspunten voor het ter zitting namens appellante ingenomen standpunt dat er causaal verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van appellante en de door haar ondergane internering.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

NK