Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
09-543 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Plichtsverzuim. Appellant heeft zichzelf en ook anderen in de opbouwfase van de vaste toelage voor onregelmatige diensten (TOD) waarop volgens het vierde lid van artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar aanspraak bestaat, onevenredig vaak ingeroosterd voor onregelmatige diensten. Dit heeft geleid tot volgens de minister ongerechtvaardigd hoge vaste TOD voor appellant en anderen.

Verder heeft appellant heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat op grote schaal ruilingen van ingeroosterde diensten plaatsvonden. In de omstandigheden van dit geval en in aanmerking genomen dat de minister in dit verband ten onrechte groot gewicht heeft toegekend aan het feit dat appellant (anders dan de collega’s) de roosters verzorgde, moet het er voor gehouden dat het plichtsverzuim van appellant niet ernstiger is dan dat van de collega’s bij wie de minister met het opleggen van een schriftelijke berisping heeft volstaan. De minister heeft ten aanzien van appellant dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Vernietiging bestreden besluit. De Raad voorziet zelf. De Raad legt appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/23
Module Ambtenarenrecht 2013/1326
ABkort 2011/380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/543 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 december 2008, 08/287 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.N. Paanakker, advocaat te Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. de Wit, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, alsmede D. Zeldenrijk en A.J. Pohl, beiden werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft de Raad aan de minister om inlichtingen verzocht. De minister heeft hierop bij brief van 24 november 2010 geantwoord en appellant heeft bij brief van 14 december 2010 een reactie toegestuurd.

Vervolgens is de zaak op 14 juli 2011 opnieuw ter zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Paanakker, voornoemd. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.A. Bijker, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, alsmede D. Zeldenrijk en A.J. Pohl, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als sociotherapeut bij de Dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen, rijksinrichting voor TBS. Tevens had appellant de taak van roostermaker bij de afdeling [naam afdeling] van die kliniek. Bij besluit van

26 november 2007 heeft de minister hem met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met onmiddellijke ingang disciplinair strafontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 1 april 2008 is dit ontslagbesluit na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het plichtsverzuim dat de minister appellant verwijt en dat ten grondslag ligt aan het ontslag houdt, samengevat, in hoofdzaak het volgende in.

(1) Appellant heeft zichzelf en ook anderen in de opbouwfase (van een jaar; per 1 juli 2006 drie jaar) van de vaste toelage voor onregelmatige diensten (hierna: TOD) waarop volgens het vierde lid van artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar aanspraak bestaat, onevenredig vaak ingeroosterd voor onregelmatige diensten. Dit heeft geleid tot volgens de minister ongerechtvaardigd hoge vaste TOD voor appellant en anderen.

(2) Appellant heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat op grote schaal ruilingen van ingeroosterde diensten plaatsvonden. Het ging hierbij met name om onregelmatige diensten waaraan een (hoge) TOD was verbonden, die via ruiling werden uitgevoerd door collega’s van 55 jaar en ouder met een vaste TOD. Aangezien de ruilingen niet werden verwerkt in het rooster en uitbetaling van de bezoldiging met inbegrip van de TOD geschiedde op basis van de roostergegevens, had dit tot gevolg dat medewerkers en ook appellant zelf ten onrechte een TOD of een te hoge TOD ontvingen.

3.2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat het bij de Van Mesdagkliniek vaste praktijk was om medewerkers die in de opbouwfase van hun vaste TOD zaten aanzienlijk meer in te roosteren voor onregelmatige diensten dan in voorgaande jaren gebeurde, teneinde ervoor te zorgen dat zij aanspraak kregen op een hoge vaste TOD. Binnen de kliniek was dit algemeen bekend en kon dit ook worden afgeleid uit de voor ieder toegankelijke roosters. Appellant pleegde wekelijks overleg met zijn leidinggevende over de roosters en deze gaf daaraan zijn goedkeuring. Niet gebleken is dat appellant van een hiërarchisch hoger geplaatste te horen heeft gekregen dat aan voornoemde praktijk een eind moest komen.

Onder deze omstandigheden acht de Raad onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat het onder 3.1 ad (1) vermelde gedrag van appellant als strafwaardig plichtsverzuim kan worden aangemerkt.

3.3. Wat het onder 3.1 ad (2) genoemde gedrag van appellant betreft heeft appellant aangevoerd dat de ruilingen onderling plaatsvonden en dat hij daarvoor niet verantwoordelijk was, behalve natuurlijk voor zover het ruiling van eigen diensten betrof. De Raad is niet gebleken dat dit wezenlijk anders lag. Ook uit het door de minister in dit verband genoemde verslag van een gesprek van 17 februari 2004 tussen appellant en zijn leidinggevende komt naar voren dat de medewerkers zelf onderlinge ruilingen afspraken; de rol van appellant was hierbij kennelijk beperkt en hield met name de registratie van de ruilingen in. De Raad is verder van oordeel dat appellant bezwaarlijk kan worden verweten dat hij de ruilingen niet in het rooster heeft verwerkt nu kennelijk tussen de verantwoordelijke personen was afgesproken dat die verwerking achterwege diende te blijven. Dit komt onder meer naar voren uit een verklaring van personeelsadviseur L van 8 februari 2007. Daarentegen is appellant wel te verwijten dat hij zich meerdere malen een (hoge) TOD heeft laten uitbetalen zonder dat hij daar recht op had omdat de bewuste dienst niet door hem maar (via ruiling) door (met name) een collega van 55 jaar of ouder was verricht. Hier dient te worden gesproken van ernstig plichtsverzuim. Omdat de oudere collega voor die dienst in feite al werd betaald in de vorm van de vaste TOD werd de toelage in wezen ook dubbel betaald.

3.4. Aangezien de Raad in de gedingstukken duidelijke aanwijzingen had aangetroffen dat collega’s van appellant zich aan soortgelijk ernstig plichtsverzuim hebben schuldig gemaakt als hij, en deze collega’s ten hoogste met een berisping zijn gestraft, heeft de Raad bij zijn in rubriek I vermelde brief van 15 oktober 2010 de minister verzocht bijzonderheden over die andere gevallen te verstrekken en op dit punt een vergelijking te maken met het geval van appellant. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant zich op het gelijkheidsbeginsel heeft beroepen. In het bijzonder, aldus de Raad in zijn brief, valt hier te denken aan de mate waarin ruilingen plaatsvonden en de mate waarin men zich daarbij uitbetalingen heeft laten welgevallen waarop op grond van de geleverde diensten geen recht bestond.

3.5. Bij zijn antwoord van 24 november 2010 heeft de minister een overzicht gevoegd van de diensten volgens het rooster enerzijds en de werkelijk uitgevoerde diensten volgens de sleuteluitdraai anderzijds voor zover het gaat om weekenddiensten en vroege en late diensten in het jaar 2006 van appellant en vier van zijn collega’s. De minister heeft hieraan de conclusie verbonden dat appellant een veel groter aantal malen een TOD heeft ontvangen zonder dat daarvoor een onregelmatige dienst is verricht dan zijn vier collega’s die ieder slechts een schriftelijke berisping hebben gekregen.

3.6. De Raad overweegt dat drie van de vier bedoelde collega’s in 2006 al over een vaste TOD beschikten. Om een juiste vergelijking met appellant te kunnen maken is het nodig te weten hoe de situatie bij die drie collega’s was in het jaar voorafgaande aan het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, zijnde het jaar waarin de vaste TOD werd opgebouwd. Juist in dat jaar vonden immers onevenredig veel inroosteringen voor onregelmatige diensten plaats. Die onevenredige hoeveelheid leidde er ook toe dat extra veel ruilingen plaatsvonden en aldus voor onregelmatige diensten werd betaald die door de betrokkene niet waren uitgevoerd. Daarbij wijst de Raad erop dat de collega Wgd blijkens de hoogte van zijn vaste TOD in laatstbedoeld jaar ongeveer evenveel voor onregelmatige diensten is ingeroosterd als appellant in diens aan zijn 55e verjaardag voorafgaande jaar. De minister heeft ten onrechte geen gegevens over de inroosteringen voor onregelmatige diensten en de werkelijk uitgevoerde onregelmatige diensten in het opbouwjaar van Wgd en de twee andere desbetreffende collega’s verstrekt. Ter zitting heeft de minster naar voren gebracht over die gegevens ook niet meer te beschikken.

3.7. In de omstandigheden van dit geval en in aanmerking genomen dat de minister in dit verband ten onrechte groot gewicht heeft toegekend aan het feit dat appellant (anders dan de collega’s) de roosters verzorgde, is de Raad van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat het plichtsverzuim van appellant niet ernstiger is dan dat van de collega’s bij wie de minister met het opleggen van een schriftelijke berisping heeft volstaan. De minister heeft ten aanzien van appellant dus in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

3.8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dit geldt eveneens voor de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten. Nu de toepasselijkheid van het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat geen andere straf mag worden opgelegd dan een schriftelijke berisping zal de Raad zelf in de zaak voorzien.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, in totaal € 1.449,-, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Herroept het besluit van 26 november 2007;

Legt appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 361,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) N.M. van Gorkum.

NK